HR 13 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:32
Schending van ambtsgeheim door als wethouder stukken die hem onder geheimhouding zijn verstrekt, opzettelijk openbaar te maken door ambtelijke e-mail door te sturen aan derde, art. 272.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. Kon hof e-mail aanmerken als ‘enig geheim’ a.b.i. art. 272 Sr en oordelen dat verdachte ‘wist of redelijkerwijs moest vermoeden’ dat het een geheim betrof dat hij uit hoofde van ambt moest bewaren en dat hij (voorwaardelijk) opzet had op schending van die geheimhoudingsplicht? Informatie die ‘enig geheim’ bevat, betreft informatie die is bestemd om niet bekend te worden, behalve v.zv. deze door daartoe bevoegde personen bekend wordt gemaakt (vgl. HR:2020:1197). Bij beoordeling of sprake is van geheime gegevens kan o.m. betekenis toekomen aan aard van informatie, moment waarop en hoedanigheid waarin geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg en moment waarop geheimhoudingsplichtige deze informatie aan derde verstrekte. Dat betreffende informatie ook bij andere instantie of op andere manier dan wel op later moment verkrijgbaar zou zijn geweest, staat op zichzelf niet eraan in de weg dat sprake kan zijn van ‘geheim’ a.b.i. art. 272 Sr (vgl. HR:2003:AF2343). Opvatting dat van ‘enig geheim’ a.b.i. art. 272 Sr slechts sprake kan zijn als plicht tot geheimhouding volgt uit wettelijke bepaling, is onjuist. Uit wetsgeschiedenis van art. 272 Sr en wetsgeschiedenis van art. 54 Gemeentewet volgt dat geheimhoudingsverplichting a.b.i. art. 272 Sr ook kan voortvloeien uit ambt of beroep (vgl. HR:1955:147). Hof heeft geoordeeld dat verdachte door e-mail te verstrekken, enig geheim a.b.i. art. 272 Sr heeft geschonden, waarvan verdachte uit hoofde van zijn ambt als wethouder op de hoogte was gebracht en dat hij uit hoofde van dat ambt verplicht was te bewaren. Hof heeft dit oordeel allereerst daarop gebaseerd dat deze e-mail op dezelfde kwestie zag als conceptraadsvoorstel dat bij stukken in gesloten enveloppe was rondgestuurd aan collegeleden en dat (politiek) gevoelig lag. Verder heeft hof in aanmerking genomen dat verdachte wist dat collegevergadering besloten was, dat college pas tijdens die vergadering beslissing kon nemen over geheimhouding van conceptraadsvoorstel en dat “feitelijk mogelijkheid om voorstel geheim te verklaren” al zou zijn ontnomen als inhoud van raadsvoorstel voor die tijd openbaar werd gemaakt. Dit oordeel geeft gelet op wat hiervoor is vooropgesteld niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van ’s hofs vaststellingen in zijn nadere bewijsoverwegingen toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat o.g.v. art. 19 Gemeentewet in die bepaling bedoelde stukken en voorstellen in beginsel openbaar zijn, nu die bepaling niet van toepassing is op conceptraadsvoorstellen. Ook ’s hofs oordelen dat verdachte ‘redelijkerwijs moest vermoeden’ dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht was geheim te bewaren en dat hij (voorwaardelijk) opzet had op het schenden van ambtsgeheim, geven niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en zijn toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl