HR 6 december 1955, ECLI:NL:HR:1955:147

Schending van ambtsgeheim (meermalen gepleegd), art. 272.1 Sr. 1. Bewijsklacht. Kan uit bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte (werknemer) krachtens de aan haar door stichting (werkgeefster) opgelegde geheimhoudingsplicht ook tot geheimhouding verplicht zou zijn t.a.v. hetgeen zij vernam bij werkzaamheden voor het in bewezenverklaring genoemde comité, nu werkzaamheden niet lagen op gebied waarop stichting zich beweegt? 2. Levert bewezenverklaarde het strafbare feit van art. 272 Sr op? Ad 1. Blijkens verklaring van algemeen secretaris van stichting werd secretariaat van comité gevoerd door stichting en ontving stichting, zoals in bewezenverklaring weergegeven, aanvragen op advertenties van comité. Gelet hierop konden bewezenverklaarde werkzaamheden van verdachte bij het verzenden van folders op die aanvragen door rechter geacht worden te vallen op gebied waarop stichting zich (in ruimste zin van woord) beweegt. Aldus heeft stichting deze taak voor comité op zich genomen. Ad 2. In eerste aanleg heeft Rb geoordeeld dat bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert. In hoger beroep heeft hof geoordeeld dat opvatting Rb over art. 272 Sr onjuist is. Uit wetsgeschiedenis van art. 272 Sr volgt dat daarin genoemde verplichting tot geheimhouding voortspruit uit wet of aard van werkkring waarin men geplaatst is en gelijkelijk geldt voor allen die dat ambt of beroep uitoefenen. Dit wijst erop dat art. 272 Sr slechts het oog heeft op ambten of beroepen die door hun aard (dus ongeacht i.h.b. opgelegde of overeengekomen verplichting tot geheimhouding) zodanige verplichting medebrengen voor hen die deze ambten of beroepen uitoefenen en ook voor hen die (als ondergeschikte medewerkers in hun geheimen betrokken) deze verplichting met hen delen. Rb heeft in eerste aanleg overwogen dat op bewezenverklaarde ook art. 273 Sr geen toepassing kan vinden, omdat stichting blijkens haar stichtingsbrief geen onderneming van handel of nijverheid is. Rb kon dit afleiden uit verklaring van getuige “dat doel van stichting blijkens art. 2 van haar stichtingsbrief is gebruik van rubber in ruimste zin te bevorderen, welk doel o.m. door het voeren van propaganda wordt nagestreefd”. Omdat hof deze verklaring als b.m. heeft overgenomen, is o.g.v. aldus feitelijk vastgestelde het bewezenverklaarde ook niet ex art. 273 Sr strafbaar. Gelet hierop moet verdachte van alle rechtsvervolging worden ontslagen. HR verklaart bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging. CAG (strekking): niet-ontvankelijkverklaring OvJ in vervolging.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen