HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1197

Militaire zaak. Opzettelijke schending van ambtsgeheim door als adjudant/onderofficier van Koninklijke Marechaussee voor privédoeleinden informatie (o.m. m.b.t. strafrechtelijke onderzoeken) over vrouw en haar man op te laten zoeken door zijn ondergeschikte (feit 1) en op te zoeken (feit 2) in systemen van o.m. politie en KMar, art. 272.1 Sr. 1. Uitleg bestanddeel ‘enig geheim’ a.b.i. art. 272 Sr. 2. Levert het voor zichzelf (doen) ontsluiten van geheime informatie, zonder die informatie met derde te delen ‘schending’ van ambtsgeheim a.b.i. art. 272 Sr op? Ad. 1. V.zv. middel zich richt tegen bewezenverklaring feit 1 (doen plegen) faalt het, nu hof heeft vastgesteld dat in bewezenverklaring bedoeld telefoonnummer informatie betrof die verdachte niet bekend was en verder uit bewijsvoering volgt dat verdachte zijn ondergeschikte onder valse voorwendselen betreffend telefoonnummer heeft laten opzoeken in de deze ondergeschikte uit hoofde van zijn functie ter beschikking staande systemen en verkregen telefoonnummer vervolgens voor privédoeleinden heeft aangewend. Enkele omstandigheid dat dit telefoonnummer mogelijk ook elders te verkrijgen zou zijn, doet daaraan niet af (vgl. ECLI:NL:HR:2003:AF2343). V.zv. middel zich richt tegen bewezenverklaring feit 2 (plegen) v.zv. inhoudende dat verdachte “informatie over strafrechtelijke onderzoeken en/of informatie en/of persoonsgegevens en/of contactgegevens van personen” in o.m. bedrijfsprocessensysteem van politie/KMar heeft opgezocht, slaagt het. Uit bewijsvoering kan niet meer volgen dan dat verdachte in politiesystemen informatie over vrouw en haar man heeft opgevraagd en heeft gekeken of klacht tegen hem was ingediend, terwijl hof omtrent aard van opgevraagde informatie of gegevens niets naders heeft vastgesteld. Aldus kan uit bewijsvoering niet z.m worden afgeleid dat deze informatie ‘enig geheim’ betreft, dat wil zeggen informatie die is bestemd om niet bekend te worden, behalve v.zv. deze door daartoe bevoegde personen bekend wordt gemaakt. ’s Hofs enkele overweging dat verdachte “zonder dat dat voor zijn functie-uitoefening noodzakelijk was, voor zichzelf, uit de hem (indirect) uit hoofde van zijn functie ter beschikking staande systemen, geheime informatie [heeft] ontsloten (of doen ontsluiten) die niet voor hem bedoeld was”, maakt dat niet anders. Ad 2. Uit wetsgeschiedenis volgt dat ‘schenden’ van geheim in de zin van art. 272 Sr moet worden uitgelegd als verstrekken van geheime gegevens aan ander die tot kennisneming daarvan onbevoegd is. Gelet hierop geeft ‘s hofs oordeel dat verdachte zijn ambtsgeheim heeft geschonden door geheime gegevens voor zichzelf te (doen) ontsluiten, blijk van onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR ECLI:NL:HR:2020:523 en ECLI:NL:HR:2020:527). Dat verdachte m.b.t. bewezenverklaarde onder 1 die gegevens niet zelf heeft ontsloten maar dat heeft laten doen door collega, maakt dat niet anders. Middel klaagt daarover wat betreft bewezenverklaring feit 2 terecht. Het middel faalt t.a.v. bewezenverklaring feit 1. Bewezenverklaard is immers dat ondergeschikte van verdachte opzettelijk zijn ambtsgeheim heeft geschonden door 06-nummer op te zoeken en aan verdachte te geven, welk feit verdachte heeft doen plegen. Uit daartoe gebruikte bewijsvoering kan worden afgeleid dat ondergeschikte geheime informatie heeft verkregen en deze informatie vervolgens bekend heeft gemaakt aan ander (verdachte), die (naar hof heeft vastgesteld) aldus geheime informatie heeft doen ontsluiten die niet voor hem bedoeld was, waarin ligt besloten dat verdachte naar ‘s hofs oordeel in gegeven omstandigheden tot kennisneming van die informatie niet bevoegd was. Volgt partiële vernietiging (t.a.v. feit 2 en strafoplegging) en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken