HR 10 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:778

Jeugdzaak. Medeplegen feitelijke aanranding van de eerbaarheid op middelbare school (meermalen gepleegd), art. 246 (oud) Sr. Post-Keskin. Afwijzing van ttz. in hoger beroep (voorwaardelijk) gedaan verzoek om aangeefster A en getuige B te horen, op de grond dat hof zich door verhandelde ttz. voldoende ingelicht acht en noodzakelijkheid van gevraagde verhoren niet is gebleken. Heeft hof verklaringen van getuigen A en B voor bewijs kunnen gebruiken, terwijl verdediging t.a.v. die getuigen niet ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2023:1516 m.b.t. vereiste dat verdediging het “nodige initiatief” neemt en relevante overwegingen uit HR:2021:576 en HR:2021:1418 m.b.t. gevallen waarin belang bij oproepen en horen van getuige moet worden verondersteld, beoordeling van “overall fairness” van procedure en gewicht van betreffende verklaring. Hof heeft (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van aangeefster A en getuige B afgewezen. Hof heeft overwogen dat het “in de rede had gelegen” het verzoek eerder te doen dan bij pleidooi in hoger beroep, terwijl “niet kan worden gezegd dat verdediging niet (reeds eerder) in de gelegenheid is gesteld om genoemde personen als getuigen te horen”, waardoor verzoek niet voldoet “aan de aan dergelijk verzoek te stellen eisen”. ’s Hofs op deze overwegingen gebaseerde afwijzing van verzoek tot horen van A en B is niet toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat niet begrijpelijk is oordeel van hof dat (voorwaardelijk) verzoek van verdediging niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. In dat verband is van belang dat omstandigheid dat verdediging geen gebruik heeft gemaakt van eerder bestaande gelegenheid om wensen m.b.t. ondervraging van getuigen kenbaar te maken, terwijl daarvoor op dat moment geen beletsel bestond, op zichzelf in dit geval niet voldoende grond biedt voor afwijzing van zo’n verzoek. HR neemt verder in aanmerking dat hof de bewezenverklaring heeft aangenomen mede o.g.v. door verdachte betwiste verklaringen van A en B zonder dat verdediging deze getuigen heeft kunnen ondervragen. Daarbij is van belang dat hof niet ervan blijk heeft gegeven te hebben nagegaan of een goede reden bestond voor niet oproepen van getuigen, en ook niet nader het gewicht van door A en B afgelegde verklaringen in bewijsconstructie in overwegingen heeft betrokken. Oordeel van hof dat procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, is daarom niet toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af wat hof heeft overwogen over “de gelegenheid” die voor verdediging heeft bestaan om opnames van verklaring van (alleen) A op politiebureau te beluisteren. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/01156 J.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken