HR 7 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1516

Feitelijke aanranding van eerbaarheid (art. 246 Sr) door op straat onverhoeds borst van voorbijgangster vast te pakken. Post-Keskin. Heeft verdediging het “nodige initiatief” getoond tot horen van getuige nu getuigenverzoek niet ttz. bij zittingsrechter is herhaald, na eerder schriftelijk verzoek waarop Rh-C heeft geconstateerd dat getuige niet kon worden opgeroepen omdat geen adresgegevens beschikbaar waren? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:576 (post-Keskin) inhoudende dat vereiste “nodige initiatief” inhoudt dat verdediging wens kenbaar maakt dat zij ondervragingsrecht wil uitoefenen en daartoe stellig en duidelijk verzoek doet tot oproepen en horen van concreet aangeduide persoon als getuige. Zo’n verzoek moet worden gericht tot “the appropriate domestic court (...) in compliance with the formal requirements and time-limits laid down in domestic law” (EHRM nr. 11069/84 (Cardot/Frankrijk) en nr. 43149/98 (Kok/Nederland)). Behoudens bijzondere situaties zoals overlijden van getuige, is pas sprake van het “nodige initiatief” als betreffende getuigenverzoek tegenover zittingsrechter en dus ttz. is gedaan. Dat houdt ermee verband dat zittingsrechter (als rechter die oordeelt over bewijs) eigen verantwoordelijkheid draagt voor volledigheid van onderzoek van zaak en voor behandeling en beoordeling van strafzaak overeenkomstig eisen van eerlijk proces. Dit vereiste van verzoek dat ttz. wordt gedaan, strekt daarnaast tot ordentelijke procesvoering. Hieruit volgt dat voor het “nodige initiatief” doorgaans niet volstaat dat getuigenverzoek uitsluitend voorafgaand aan aanvang van onderzoek ttz. bij RC of Rh-C is gedaan. In geval dat verdediging voorafgaand aan onderzoek ttz. RC of Rh-C heeft verzocht getuige op te roepen voor verhoor, maar deze niet daartoe is overgegaan, ligt het dus op weg van verdediging (als wens tot ondervraging nog bestaat) om bij zittingsrechter eenzelfde verzoek te doen. Zittingsrechter is bij beslissing over dat verzoek niet gebonden aan eerder door RC of Rh-C genomen beslissing of aan gronden waarop die eerdere beslissing berust. Het staat verdediging ook vrij om verzoek dat tot zittingsrechter wordt gericht, te onderbouwen met andere of nadere redenen dan eerder tot RC of Rh-C gerichte verzoek. In geval RC of Rh-C op verzoek van verdediging is overgegaan tot oproepen van getuige maar desondanks ondervragingsgelegenheid niet kon worden gerealiseerd, ligt het eveneens op weg van verdediging dat zij bij zittingsrechter kenbaar maakt of wens tot ondervraging nog bestaat en, zo ja, dat zij daartoe (tenzij op voorhand vaststaat dat, bijvoorbeeld a.g.v. overlijden, ondervragingsgelegenheid niet meer kan worden gerealiseerd) verzoek tot horen van persoon als getuige doet. Als verdediging meent dat door RC of Rh-C onvoldoende inspanningen zijn gedaan om ondervragingsgelegenheid te realiseren, ligt het in rede dat verdediging t.b.v. zittingsrechter toelicht welke andere inspanningen daartoe nog zouden kunnen worden geleverd. Uit procesgang volgt dat niet ttz. verzoek tot horen van getuige is gedaan. Gelet op wat hiervoor is overwogen, stuit middel (dat klaagt dat gebruik van getuigenverklaring voor bewijs onverenigbaar is met art. 6 EVRM omdat verdediging ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen) daarop af. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken