HR 22 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:643

Rijden onder invloed van amfetamine en cannabis (art. 8.5 WVW 1994) en rijden zonder rijbewijs (art. 107.1 WVW 1994). 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep t.a.v. rijden zonder rijbewijs, art. 427.2 Sv. 2. Bewijsklacht rijden onder invloed. Is sprake is van “onderzoek” a.b.i. art. 8.5 WVW 1994, nu verdachte in strijd met strikte waarborgen a.b.i. art. 17 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in verkeer niet schriftelijk in kennis is gesteld van resultaat van bloedonderzoek en van recht op tegenonderzoek? Ad 1. ’s Hofs uitspraak heeft wat betreft feit 2 betrekking op overtreding (art. 107.1 WVW 1994). Hof heeft voor dat feit toepassing gegeven aan art. 9a Sr en bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. O.g.v. art. 427 Sv staat tegen ’s hofs uitspraak t.a.v. feit 2 geen cassatieberoep open. Om die reden kan HR wat betreft dat feit het cassatieberoep van verdachte niet in behandeling nemen. Ad 2. Van “onderzoek” a.b.i. art. 8.5 WVW 1994 is slechts sprake als waarborgen zijn nageleefd waarmee wetgever dat onderzoek met oog op betrouwbaarheid van resultaten daarvan heeft omringd (vgl. HR:2020:1684). Voorschrift van art. 17 Besluit dat verdachte schriftelijk in kennis wordt gesteld van resultaat van bloedonderzoek en van recht op tegenonderzoek, betreft strikte waarborg (vgl. HR:2021:1793). Uit ‘s hofs vaststellingen volgt dat (i) verdachte bij zijn aanhouding dan wel bij zijn verhoor door politie geen adres heeft opgegeven waar uitslag van bloedonderzoek naartoe kon worden gestuurd, (ii) verdachte niet in kennis is gesteld van resultaat van bloedonderzoek en van recht op tegenonderzoek maar dat is volstaan met kennisgeving die was gericht aan adres onbekend, en (iii) reden voor het achterwege laten van kennisgeving aan verdachte erin was gelegen dat verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft in Nederland. Hof heeft o.g.v. deze vaststellingen geoordeeld dat omstandigheid dat kennisgeving de verdachte niet heeft bereikt, niet eraan in de weg staat dat sprake is van “onderzoek” a.b.i. art. 8.5 WVW 1994, omdat het aan verdachte is te wijten dat hij zich niet heeft laten inschrijven in BRP en hij ook niet bij politie adresgegevens heeft opgegeven. Art. 17 Besluit vereist dat opsporingsambtenaar de verdachte schriftelijk in kennis stelt van resultaat van bloedonderzoek en van recht op tegenonderzoek. Dit voorschrift waarborgt o.m. dat verdachte gebruik kan maken van recht op tegenonderzoek op moment dat afgenomen bloed daarvoor nog beschikbaar is. In het geval dat door verdachte geen adres is opgegeven waaraan kennisgeving kan worden gedaan, maar opsporingsambtenaar door raadpleging van BRP-gegevens wel actueel adres van verdachte kan achterhalen, moet kennisgeving naar dat adres worden verzonden. Nu uit stukken blijkt dat van verdachte op moment dat politie het resultaat van bloedonderzoek ontving, in BRP een adres in Polen stond geregistreerd, heeft hof miskend dat kennisgeving naar dat adres in Polen had kunnen en moeten worden verzonden. Dat verdachte op dat moment niet was ingeschreven op adres in Nederland, leidt daarbij niet tot ander oordeel. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: anders t.a.v. ontvankelijkheid cassatieberoep.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken