HR 25 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1786

Cassatie in het belang van de wet. Caribische zaak. Afwijzing van vordering tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, regeling van art. 17a tot en met17k Sr BES. Kan regeling niet anders worden gelezen dan dat tul van voorwaardelijke straf vanwege nieuw gepleegd strafbaar feit niet mogelijk is zolang veroordeling voor dat nieuwe feit niet onherroepelijk is? Art. 17a Sr BES is via art. 17a Sr NA (oud) ontleend aan art. 14a.1 (oud) Sr Nederland, zoals dat gold tot en met 1986. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:1975:AB5457, inhoudende dat o.g.v. totstandkomingsgeschiedenis van art. 14a (oud) Sr dit art. zich niet dwingend verzet tegen lezing in overeenstemming met bedoeling van wetgever, die erop neerkwam “dat onder ‘zich op andere wijze misdragen’ mede kan worden begrepen geval dat veroordeelde zich aan strafbaar feit heeft schuldig gemaakt”. Na 1986 is zinsnede over ‘misdraging op andere wijze’ uit art. 14a (oud) Sr geschrapt. Daarmee is mogelijkheid vervallen om over te gaan tot tul van voorwaardelijk opgelegde straf op de grond dat betrokkene nieuw strafbaar feit heeft begaan, voordat veroordeling voor dat nieuwe feit onherroepelijk is geworden. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2017:3186 t.a.v. nadien in Nederlands sanctiestelsel ingevoerde mogelijkheid van dadelijke uitvoerbaarheid van voorwaarden die o.g.v. art. 14c Sr aan voorwaardelijke straf worden verbonden. Gerecht heeft geoordeeld dat (als bepalingen uit Sr BES zo zouden worden uitgelegd dat gerecht verdachte kan veroordelen voor nieuw strafbaar feit en daarbij last tot tul van eerder voorwaardelijk opgelegde straf kan geven) verdachte weliswaar hoger beroep kan instellen tegen veroordeling voor nieuw feit maar niet tegen tul beslissing. Als verdachte in h.b. zou worden vrijgesproken van nieuw feit, blijft tul beslissing in stand omdat daartegen geen rechtsmiddel openstaat. Die uitkomst is volgens gerecht “onrechtvaardig en ongewenst”. Daarbij heeft gerecht in overwegingen betrokken dat volgens recht van overige delen van Koninkrijk wel mogelijkheid bestaat om rechtsmiddel aan te wenden tegen tul beslissing op de grond dat betrokkene algemene voorwaarde heeft overtreden dat hij zich gedurende proeftijd niet schuldig maakt aan strafbaar feit. Met zijn op deze overwegingen gebaseerde oordeel dat regeling van art. 17a tot en met 17k Sr BES “niet anders gelezen kan worden dan in die zin dat tul van voorwaardelijke straf vanwege nieuw gepleegd strafbaar feit, niet mogelijk is zolang veroordeling voor dat nieuwe feit niet onherroepelijk is”, heeft gerecht bij uitleg van wettelijk stelsel de verstrekkende gevolgen betrokken die tul van eerder voorwaardelijk opgelegde straf kan hebben in gevallen waarin uitspraak waarbij straf voor ‘nieuw’ feit is opgelegd, nog niet onherroepelijk is. In het licht van deze overwegingen getuigt beslissing van gerecht tot afwijzing van tul vordering van voorwaardelijk opgelegde straf niet van onjuiste rechtsopvatting. Daarbij is van belang dat vrijspraak in h.b. van tlgd. ‘nieuw’ feit niet ertoe leidt dat beslissing tot toewijzing van tul vordering ook wordt vernietigd en dat die mogelijkerwijs al geëffectueerde beslissing in zoverre onomkeerbare gevolgen (in de vorm van vrijheidsontneming van betrokkene) heeft. HR merkt nog op dat openstellen van rechtsmiddelen buiten rechtsvormende van HR valt en daarom aan wetgever moet worden overgelaten (vgl. HR:2013:BZ6526). Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken