HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6526

Cassatie in het belang der wet. Art. 406.2 Sv. Het Hof heeft de verdachte n-o verklaard in zijn h.b. tegen de afwijzing van zijn verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis, gelet op art. 87.2 Sv. Mede gelet op de wetsgeschiedenis zoals weergegeven in de vordering moet worden aangenomen dat de in art. 406.2 Sv voorziene uitzondering op de hoofdregel dat tegen in e.a. gewezen vonnissen die geen einduitspraken zijn, h.b. slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak is toegelaten, is beperkt tot de in lid 2 uitdrukkelijk genoemde gevallen, te weten een bevel tot gevangenhouding of gevangenneming en de afwijzing van een verzoek tot opheffing van het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming. De eerste volzin van het tweede lid van art. 87 Sv, inhoudende dat verdachte die aan de Rb schorsing of opheffing van de voorlopige hechtenis heeft verzocht, eenmaal van een afwijzende beslissing op dat verzoek bij het Hof in h.b. kan komen, leidt niet tot een ander oordeel, in aanmerking genomen dat dit h.b. moet worden ingesteld uiterlijk 3 dgn na de betekening. Daaruit moet worden afgeleid dat deze bepaling slechts het oog heeft op een bij beschikking gegeven afwijzing van dat verzoek en dus niet ziet op een ttz. gegeven beslissing. Het Hof heeft verdachte dus terecht en op goede grond n-o verklaard in zijn h.b. Daarom faalt het middel. Opmerking verdient nog dat het openstellen van rechtsmiddelen buiten de rechtsvormende taak van de HR valt en daarom aan de wetgever moet worden overgelaten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen