HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126
Medeplegen lokaalvredebreuk door demonstratie in RAI bij bouwvakbeurs (art. 138.1 Sr). Verwerping verweer dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid strafvervolging met art. 10/11 EVRM toereikend gemotiveerd? Hof heeft aan verwerping van dit verweer ten grondslag gelegd dat bouwbedrijf door handelen van verdachte en mededader werd belemmerd om op beurs promotieactiviteiten te verwezenlijken en het beursbezoekers moeilijk werd gemaakt om kennis te nemen van informatie van dat bouwbedrijf. Hof heeft daarbij geoordeeld dat, met het oog op bescherming van rechten van anderen, verdere uitoefening van demonstratierecht van verdachte en mededader in RAI-gebouw mocht worden beperkt. In aanmerking genomen dat verdachte en mededader bij herhaling verzoek en vordering is gedaan om gebouw te verlaten en dat daarbij telkens redelijk alternatief is geboden om buiten en bij ingang van RAI-gebouw demonstratie voort te zetten, maar verdachte en mededader daaraan, zonder opgave van reden, geen gevolg wilden geven, bestond volgens hof ook dringende maatschappelijke noodzaak tot die beperking van verdere uitoefening van demonstratierecht en aanwezigheid daartoe in RAI-gebouw. Van belang is verder dat hof bij oordeel dat veroordeling van verdachte niet in strijd komt met art. 10 en 11 EVRM, heeft betrokken dat moet worden volstaan met schuldigverklaring van verdachte aan medeplegen van lokaalvredebreuk en dat dus geen straf of maatregel wordt opgelegd. In dat verband heeft hof kennelijk acht geslagen op karakter van demonstratie, die op zichzelf vreedzaam en beperkt van opzet was en dus niet gepaard ging met gewelddadigheden of andere ongeregeldheden anders dan herhaalde weigering om RAI-gebouw te verlaten. Verder heeft hof bij die beslissing betrokken dat het, achteraf bezien, mogelijk zou zijn geweest om demonstratie op andere wijze te beëindigen dan door aanhouden en gedurende meerdere ophouden voor verhoor. Dit oordeel van hof geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is, ook in het licht van wat raadsman van verdachte ttz. heeft aangevoerd, niet onbegrijpelijk. Rechtspraak EHRM noopt niet tot andere uitkomst. Uit die rechtspraak kan niet worden afgeleid dat enkele omstandigheid dat n.a.v. verdenking van strafbaar feit dat in relatie tot demonstratie plaatsvindt, wordt overgegaan tot strafrechtelijk optreden (en dus ongeacht aard van en vorm waarin dat optreden plaatsvindt en ongeacht vraag of dit optreden tot sanctie leidt) al schending van art. 10 en/of 11 EVRM tot gevolg zou hebben. In dat verband is mede van belang dat uit door EHRM geformuleerde uitgangspunten volgt dat recht van vrijheid op vreedzame vergadering zich niet ertegen verzet dat persoon die deelneemt aan vreedzame demonstratie, kan worden onderworpen aan dreiging van straf of maatregel als betreffende persoon zelf “reprehensible act” pleegt tijdens demonstratie. Daarbij betrekt HR ook dat uit vaststellingen hof volgt dat verdachte en mededader weliswaar zijn beperkt in hun mogelijkheid om in directe nabijheid van kraampje van betreffende bouwbedrijf en zich voordoende als medewerkers van bouwbedrijf folders uit te delen en borden met teksten te tonen, maar dat zij wel meermalen mogelijkheid geboden kregen om bij ingang van vakbeurs hun demonstratie tegen bouwbedrijf voort te zetten. Aanhouding door politie was er dan ook niet op gericht aan verdachte en mededader mogelijkheid te ontnemen om tegenover publiek dat bouwvakbeurs bezocht, hun mening te uiten over activiteiten van bouwbedrijf en detentie van minderjarigen, maar vond zijn oorzaak in belemmeren van bouwbedrijf in zijn promotieactiviteiten en van beursbezoekers in mogelijkheid om kennis te nemen van informatie van bouwbedrijf, en daarop volgende lokaalvredebreuk door te volharden in weigering op vordering vanwege rechthebbende het RAI-gebouw te verlaten. Daarnaast heeft hof zich ervan rekenschap gegeven dat strafrechtelijk optreden i.v.m. die door hof vastgestelde lokaalvredebreuk niet van een zo ingrijpend karakter mag zijn dat daarvan “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vreedzame vergadering. Dat komt daarin tot uitdrukking dat hof, gelet op vrijheidsontneming die als direct gevolg van aanhouding en ophouden voor verhoor al had plaatsgevonden en die als zodanig ook was gerechtvaardigd door weigering om gehoor te geven aan vorderingen om RAI-gebouw te verlaten, oplegging van strafrechtelijke sancties achterwege heeft gelaten en heeft volstaan met schuldigverklaring. HR merkt in reactie op schriftuur ten overvloede op dat deze zaak op wezenlijke punten verschilt van in schriftuur aangehaalde EHRM-zaken. Volgt verwerping. Samenhang met 20/02711. Vervolg op HR:2019:1633.
De uitspraak op rechtspraak.nl