HR 28 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:772
Beklag, beslag op banktegoeden van klaagster ex art. 13a WOTS n.a.v. rechtshulpverzoek van Braziliaanse autoriteiten. OM-cassatie. Kon Rb oordelen dat niet wordt voldaan aan voorwaarden die in art. 13a WOTS aan inbeslagneming zijn gesteld? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2009:BI2281 m.b.t. toetsingskader beklagrechter bij klaagschrift o.g.v. art. 13d.2 WOTS jo. art. 552a Sv. In beklagprocedure van art. 13d.2 WOTS jo. art. 552a Sv heeft onderzoek in raadkamer summier karakter. Beoordeling van beklag vindt immers plaats o.g.v. informatie die op dat moment voorhanden is over(verloop van) (straf- of ontnemings)zaak in verzoekende staat, waarbij rechter in beklagprocedure slechts in zeer beperkte mate kan vooruitlopen op beslissingen die zullen worden genomen in die zaak in verzoekende staat. Daarnaast heeft als uitgangspunt te gelden dat, als (zoals hier het geval is) rechtshulpverzoek is gegrond op verdrag, o.g.v. art. 5.1.4.2 Sv aan verzoek zoveel mogelijk verzocht gevolg moet worden gegeven. Dat betekent dat alleen dan van inwilliging van verzoek kan worden afgezien als zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen die voortvloeien uit toepasselijk verdrag dan wel wet (waaronder in art. 5.1.5 Sv genoemde weigeringsgronden), of als door inwilliging van rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht (vgl. m.b.t. art. 552k.1 (oud) Sv HR:2002:ZD2927). Rb heeft vastgesteld dat beslag is gelegd ten behoeve van in Brazilië lopende procedure, die met name erop is gericht om betaling van boetes en schadevergoeding veilig te stellen, en dat het in deze zaak feitelijk gaat om verzekeren van betaling door klaagster van bedrag gelijk aan steekpenningen die door klaagster zouden zijn betaald, al dan niet in vorm van boete of in vorm van compensatie van verliezen van Braziliaanse schatkist, of combinatie hiervan. Op grond hiervan heeft Rb geconstateerd dat rechtshulpverzoek niet samenhangt met aantonen van w.v.v. dan wel voornemen tot verbeurdverklaring van in beslag te nemen voorwerpen. Rb heeft verder overwogen dat zij uit geen van stukken in raadkamerdossier heeft kunnen afleiden dat in deze zaak ervan wordt uitgegaan dat sprake zou zijn van enig door klaagster genoten w.v.v. als bedoeld in art. 13a WOTS. Hieraan heeft Rb conclusie verbonden dat in gegeven omstandigheden WOTS geen grondslag biedt voor gevraagde rechtshulp en (voortzetting van) gelegde beslag. Gelet op vorenstaande berust gegrondverklaring van beklag door Rb op oordeel dat inbeslaggenomen voorwerpen niet kunnen dienen tot verhaal van ontneming van w.v.v. en dat daarom niet wordt voldaan aan voorwaarden die in art. 13a WOTS aan inbeslagneming zijn gesteld. Oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Oordeel is ook niet onbegrijpelijk, gelet op vaststellingen Rb over strekking van betaling waarop in Brazilië lopende procedure is gericht. Rb heeft met haar oordeel ook niet miskend dat onderzoek in raadkamer summier karakter draagt. Rb heeft met gegrondverklaring van beklag evenmin miskend dat, zoals art. 5.1.4.2 Sv bepaalt, aan rechtshulpverzoek zoveel mogelijk verzocht gevolg moet worden gegeven. Dat verzochte rechtshulp niet kan worden verleend, is immers gevolg van oordeel Rb dat niet is voldaan aan voorwaarden die in art. 13a WOTS aan inbeslagneming zijn gesteld, zodat sprake is van uit wet voortvloeiende belemmering van wezenlijke aard. Rb is daarmee niet voorbijgegaan aan wat hiervoor is vooropgesteld over betekenis van art. 5.1.4.2 Sv. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl