HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1440

Medeplegen afdreiging (meermalen gepleegd) door zich samen met medeverdachte meermalen schuldig te maken aan webcamsekschantage waarbij mannen zijn gedwongen grote geldbedragen over te maken (art. 318.1 Sr) en medeplegen dwang (art. 284.1.1 Sr). (Omzeilen) klachttermijnvereiste art. 66.1 Sr en art. 164.1 Sv. 1. Brengt omstandigheid dat aangevers (steeds) opnieuw zijn gechanteerd met voor hen belastend chatgesprek mee dat sprake is van “voortdurende compromitterende situatie” die gevolgen heeft voor aanvang van klachttermijn? 2. Heeft OM klachtvereiste omzeild door meer subsidiair dwang met bedreiging door een feitelijkheid a.b.i. art. 284.1.1 Sr ten laste te leggen? 3. Voldoet strafoplegging hof aan terugwijzingsopdracht HR? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2018:2242 m.b.t. klachttermijn. In het geval een stuk wel aangifte maar geen verzoek tot vervolging inhoudt, kan bestaan van klacht a.b.i. art. 164.1 Sv worden aangenomen als o.g.v. onderzoek ttz. komt vast te staan dat klager tijdig wens had dat vervolging zou worden ingesteld (vgl. HR:1994:ZC8448). Hof heeft overwogen dat sprake is geweest van “voortdurende compromitterende situatie” waarin aangevers (ook na tlgd. periode) steeds opnieuw door verdachte en/of haar medeverdachte werden geconfronteerd met chatgesprek van resp. 10-1-2013 en 25-5-2013 en dat deze situatie volgens aangiftes tot op datum van doen van aangifte voortduurde. Hof heeft geoordeeld dat termijn waarbinnen klacht diende te zijn ingediend over in tll. opgenomen feiten niet eerder dan op resp. 15-5-2013 en medio mei 2014 is aangevangen en klachten daarom tijdig zijn ingediend. Tll. heeft betrekking op feiten die afzonderlijk op verschillende dagen binnen tlgd. periode zijn gepleegd. Dit betekent dat klachttermijn telkens aanvang heeft genomen op dag na die waarop aangevers kennis hebben genomen van gepleegd delict. Dat aangevers ook na tlgd. periode zijn geconfronteerd met chatgesprekken die verband houden met in die periode gepleegde feiten, brengt niet met zich dat klachttermijn op ander moment aanvang heeft genomen. ‘s Hofs andersluidende oordeel geeft daarom blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ad 2. Hof heeft verweer verworpen dat OM n-o is in vervolging voor tlgd. dwang. Aan die verwerping heeft hof kennelijk als zijn oordeel ten grondslag gelegd dat tll. is toegesneden op dwang door bedreiging met feitelijkheid a.b.i. art. 284.1.1 Sr en dat (nu tll. meer feitelijkheden omvat dan smaad of smaadschrift) art. 284.2 Sr geen toepassing vindt. Dit oordeel getuigt van onjuiste rechtsopvatting. Enkele omstandigheid dat in tll. mede feitelijkheden zijn opgenomen die niet bestaan uit smaad of smaadschrift, heeft niet tot gevolg dat geen betekenis toekomt aan klachtvereiste van art. 284.2 Sr. In geval vervolging plaatsvindt voor dwang door bedreiging met feitelijkheid of met feitelijkheden, waarbij feitelijkheid of feitelijkheden mede bestaat of bestaan in smaad of smaadschrift, brengt art. 284.2 Sr namelijk met zich dat vervolging voor die dwang door bedreiging met feitelijkheid of feitelijkheden alleen is toegestaan als tijdig klacht is ingediend door degene tegen wie betreffend feit is gepleegd. Ad 3. Ambtshalve opmerking HR over sanctieoplegging: Hof heeft na terugwijzing door HR kennelijk (en ten onrechte) geoordeeld dat in arrest van HR alleen strafoplegging v.zv. die betrekking had op het onder 1, 2, 3, 5 en 6 tlgd. is vernietigd, op grond waarvan hof overeenkomstig art. 423.4 Sv straf t.a.v. de onder 4 en 7 bewezenverklaarde feiten heeft bepaald i.p.v. 1 straf op te leggen voor alle feiten. HR vindt hierin geen grond voor ambtshalve cassatie. Volgt (partiële) vernietiging en verwijzing. CAG: anders t.a.v. ambtshalve cassatie m.b.t. sanctieoplegging. Vervolg op HR:2018:2242. Samenhang met 21/04445 P.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken