HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2242
Medeplegen afdreiging (meermalen gepleegd) door zich samen met haar medeverdachte meermalen schuldig te maken aan webcamsekschantage waarbij mannen zijn gedwongen grote geldbedragen over te maken (art. 318.1 Sr). 1. Klachtvereiste. Mocht politie eigener beweging vermoedelijke slachtoffers van klachtmisdrijf afdreiging benaderen zonder dat zij eerst klacht hadden ingediend? 2. Klachttermijnvereiste, art. 66.1 Sr, art. 163, 164 en 165 Sv. Staat omstandigheid dat aantal aangevers niet binnen termijn a.b.i. 66.1 Sr klacht heeft ingediend in de weg aan ontvankelijkheid OM in vervolging? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1977:AB7174 en ECLI:NL:HR:1998:ZD1194, inhoudende dat in regeling van op klacht vervolgbare misdrijven klacht slechts wordt aangemerkt als voorwaarde voor toelaatbaarheid van vervolging t.z.v. zodanig misdrijf, strekking van die regeling meebrengt dat ook opsporingshandelingen te dier zake bij gebreke van klacht achterwege moeten blijven en regel dat onderzoek ter voorbereiding van vervolging slechts mag worden ondernomen indien klacht is gedaan uitzondering lijdt indien klachtgerechtigde te kennen heeft gegeven zodanig onderzoek te wensen. Met strekking van klachtvereiste is evenmin in strijd dat n.a.v. opsporingswens van klachtgerechtigde door politie naspeuringen worden gedaan naar mogelijke andere slachtoffers. Dit zou anders zijn, wanneer tegen door mogelijk slachtoffer uitdrukkelijk kenbaar gemaakte wens in, (nadere) onderzoekhandelingen zouden worden geïnitieerd dan wel voortgezet, maar hieromtrent is door verdediging niets gesteld terwijl ook dossier daarvoor geen aanknopingspunt biedt. In het licht hiervan getuigt ‘s Hofs verwerping van gevoerd verweer niet van onjuiste rechtsopvatting en is zij ook niet onbegrijpelijk. Ad 2. Feiten ter zake waarvan verdachte is vervolgd en veroordeeld zijn als misdrijf strafbaar gesteld in art. 318.1 Sr. O.g.v. art. 318.3 Sr kan dit misdrijf niet worden vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het is gepleegd. Ex art. 164.1 Sv bestaat klacht in aangifte bij bevoegde ambtenaar met verzoek tot vervolging, terwijl art. 165.1 Sv regelt wie bevoegde ambtenaar is en art. 164.2 Sv erin voorziet dat voorschriften van art. 163 Sv omtrent wijze waarop aangifte moet worden gedaan, van overeenkomstige toepassing zijn. Blijkens wetsgeschiedenis steunt deze door klachtvereiste gecreëerde afhankelijkheid der vervolging van wil van hem tegen wie misdrijf is gepleegd op mogelijkheid dat bijzonder belang groter nadeel lijdt door instellen dan openbaar belang door niet-instellen der strafactie. Bijzonder belang is hierin gelegen dat ongewenste ruchtbaarheid die door de door delict getroffene als pijnlijk wordt ervaren, wordt vermeden. Dit belang is in geval waarin klacht is vereist, niet in het geding indien klacht weliswaar niet voldoet aan wettelijke eisen van art. 163 en/of art. 164 Sv maar vaststaat dat klachtgerechtigde vervolging heeft gewenst. In art. 66.1 Sr is bepaald dat klacht kan worden ingediend gedurende 3 maanden na dag waarop klachtgerechtigde kennis heeft genomen van feit. O.g.v. memorie van toelichting bij ontwerpwetboek moet worden aangenomen dat klachtgerechtigde zijn bevoegdheid slechts gedurende in wet genoemde klachttermijn kan uitoefenen. Dat betekent dat indien voor instellen van vervolging klacht is vereist en klacht niet is ingediend binnen 3 maanden nadat klachtgerechtigde heeft kennis genomen van delict, vervolging daarop afstuit. Ingeval klacht weliswaar niet voldoet aan alle formele wettelijke eisen of niet is ingediend bij bevoegde ambtenaar, maar vaststaat dat klachtgerechtigde vervolging heeft gewenst, zal van die wens binnen die termijn moeten zijn gebleken. HR merkt op dat volgens conceptwetgeving t.b.v. modernisering van WvSv voornemen bestaat klachttermijn van art. 66 Sr af te schaffen, terwijl huidige klachtregeling op andere afweging van argumenten berust. Het is aan wetgever dienaangaande keuze te maken. Door verdediging is aangevoerd dat klachten niet binnen termijn van art. 66.1 Sr zijn ingediend en dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging. Hof heeft vastgesteld dat m.b.t. feit 4 klacht tijdig is gedaan. Wat betreft overige feiten heeft Hof verweer verworpen op de grond dat overschrijding van die termijn niet ertoe leidt "dat het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie is vervallen", nu t.a.v. alle aangevers is gebleken van uitdrukkelijke vervolgingswens. Uit betekenis van termijn van art. 66.1 Sr volgt dat Hof verweer - behoudens wat betreft feit 4 - heeft verworpen op gronden die verwerping niet kunnen dragen. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 17/01181 P.
De uitspraak op rechtspraak.nl