HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:626
Herziening Arnhemse Villamoord in 1998. Novum in de vorm van de intrekking van de (bekennende) getuigenverklaring van een van de veroordeelde personen. HR zet juridisch kader uiteen en herhaalt relevante overweging uit HR:1997:ZC9316 dat aanvrager aannemelijk moet maken dat en waarom een getuige op hem belastende verklaringen terugkomt. De bij de aanvraag overgelegde verklaringen wekken, tegen de achtergrond van de bewijsvoering van het hof, niet het voor het buitengewone rechtsmiddel van herziening vereiste ernstige vermoeden a.b.i. art. 457.1 aanhef sub c Sv. Daaruit volgt dat de aanvraag ongegrond is en o.g.v. art. 470 Sv moet worden afgewezen. Samenhang met 7 andere herzieningen.
De uitspraak op rechtspraak.nl