HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1938
Caribische zaak. Gewapende overval op geldtransport van supermarkt op Bonaire in 2019. 1. Verhouding afpersing en diefstal met geweld. Kon hof bewezenverklaarde feiten aanmerken als (eendaadse samenloop van) afpersing en diefstal met geweld? 2. Bewijsklacht medeplegen afpersing en diefstal met geweld. 3. Bewijsklacht medeplegen voorhanden hebben van vuurwapen. Ad 1. Tussen de inhoud van begrip ‘wegnemen’ a.b.i. art. 325 jo. 323 Sr BES en begrip ‘afgifte’ a.b.i. art. 330.1 Sr BES bestaat geen scherpe grens. Of een gedraging ‘wegnemen’ dan wel ‘afgifte’ oplevert, is mede afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Onder bepaalde omstandigheden kan gedogen van wegnemen zowel ‘wegnemen’ als ‘afgifte’ opleveren (vgl. HR:2009:BH5232). Als zich zo’n geval voordoet en tll. zo is ingericht dat gekwalificeerde diefstal en afpersing cumulatief zijn tlgd., heeft rechter de vrijheid de betreffende gedragingen aan te merken als ‘wegnemen’ en als ‘afgifte’. In zo’n geval biedt de regeling van samenloop waarborgen tegen dubbele bestraffing (vgl. HR:2017:1111). Hof heeft met bewezenverklaring en kwalificatie als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat zich i.c. een geval voordoet waarin bewezenverklaarde gedragingen zowel ‘wegnemen’ als ‘dwingen tot afgifte’ opleveren. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat bewijsvoering inhoudt dat mededader B een vuurwapen op de borst van A heeft gedrukt, het handvat van tas die A droeg heeft vastgepakt en heeft gezegd “atrako, laga bai” (overval, laat los), A de tas daarop heeft losgelaten en B de tas toen van A heeft afgepakt en met de tas bij verdachte in de auto is gestapt. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2014:3474 m.b.t. vereisten voor medeplegen. Hof heeft vastgesteld dat (i) verdachte de later als vluchtauto gebruikte auto heeft ingebracht; (ii) hij op de avond voorafgaand aan bewezenverklaard feit samen met B in deze auto naar woning van C is gegaan; (iii) verdachte aldaar de kentekenplaten heeft verwijderd en samen met C en D de ruiten van deze auto heeft getint; (iv) hij toen met B heeft besproken dat als de ruiten van een auto getint zijn, niemand kan zien wie bestuurder en inzittende zijn; (v) hij de volgende dag als bestuurder van de auto samen met B naar supermarkt is gereden; (vi) zij niet lang na aankomst telefonisch werden geïnformeerd dat ‘geldlopers’ naar buiten kwamen; (vii) B bij het zien van deze twee mannen uit de auto is gestapt en naar A is gerend en (viii) verdachte, nadat B de tas van A onder bedreiging met een vuurwapen had verkregen en weer in de auto was gestapt, is weggereden. ‘s Hofs op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat sprake is geweest van de vereiste bewuste en nauwe samenwerking, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 3. Art. 3.1 Vuurwapenwet BES verbiedt “voorhanden hebben” van vuurwapen of munitie, en is in zoverre gelijkluidend aan art. 26.1 WWM van Nederland dat “voorhanden hebben” van een wapen of munitie van de categorieën II en III verbiedt. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:504 m.b.t. vereisten voor het (als pleger) voorhanden hebben van vuurwapen. In het geval dat medeplegen van voorhanden hebben is tlgd., moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van een wapen (of munitie). Ook dan is vereist dat verdachte zich bewust was van (waarschijnlijke) aanwezigheid van wapen, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot specifieke eigenschappen en kenmerken van wapen of tot exacte locatie van dat wapen. Daarnaast moet vaststaan dat verdachte tezamen met mededader(s) feitelijke macht over wapen heeft kunnen uitoefenen. Naast ’s hofs hiervoor weergegeven vaststellingen, op basis waarvan hof heeft geoordeeld (en kunnen oordelen) dat sprake is geweest van bewuste en nauwe samenwerking bij plegen van overval, heeft hof tevens vastgesteld dat B het vuurwapen bij zich had toen verdachte met B naar parkeerterrein bij de te overvallen supermarkt reed, dat B daar uit auto is gestapt en naar A liep terwijl B het vuurwapen in de hand had, en dat B, nadat hij de tas met geld onder bedreiging van dat vuurwapen A afhandig had gemaakt, weer is ingestapt in auto. In het licht van deze vaststellingen getuigt ‘s hofs kennelijke oordeel dat het niet anders kan dan dat ook verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van vuurwapen niet van onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Ook voor het overige getuigt oordeel dat sprake was van medeplegen van voorhanden hebben van vuurwapen niet van onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. veroordeling t.z.v. afpersing en diefstal met geweld. Samenhang met 21/01977 C.
De uitspraak op rechtspraak.nl