HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:112
Medeplegen witwassen van geldbedrag door € 52.810 voorhanden te hebben in slaapkamer van woning van verdachte en haar echtgenoot, art. 420bis.1.b Sr. Heeft verdachte geldbedrag voorhanden gehad? Voor(als pleger) “voorhanden hebben” van voorwerp a.b.i. art. 420bis.1 Sr is vereist dat verdachte het voorwerp opzettelijk aanwezig had. Dat houdt in dat verdachte zich bewust was van (waarschijnlijke) aanwezigheid van voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot precieze eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen omvang van geldbedrag) of tot exacte locatie daarvan. Voor bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in geval dat het niet anders kan dan dat verdachte zulke bewustheid heeft gehad (vgl. HR:2020:570). Als medeplegen van voorhanden hebben van voorwerp a.b.i. art. 420bis Sr is tenlastegelegd, moet komen vast te staan dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking door verdachte met een of meer anderen die was gericht op voorhanden hebben van zo’n voorwerp. Ook dan is vereist dat verdachte zich bewust was van (waarschijnlijke) aanwezigheid van voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen omvang van geldbedrag) of tot exacte locatie daarvan. Daarnaast moet vaststaan dat verdachte tezamen met mededader(s) feitelijke macht over voorwerp heeft kunnen uitoefenen in hiervoor weergegeven zin (vgl. HR:2021:1938). Hof heeft vastgesteld dat in door verdachte en haar echtgenoot bewoonde woning op drie verschillende plekken (in la, kast en kleine tas in slaapkamer) in totaal € 52.810 aan contant geld is gevonden, o.m. in coupures van € 500. Verder heeft hof vastgesteld dat in die woning 1.783 briefjes van € 20 zijn aangetroffen, dat het “een feit” is dat uit vermogensvergelijking naar voren is gekomen dat over tlgd. periode sprake is van totaal negatief “netto-privé” verschil van € 173.000. Hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat onder hiervoor omschreven omstandigheden van verdachte concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring mag worden verlangd over herkomst van geldbedragen die zijn aangetroffen in door verdachte en haar echtgenoot bewoonde woning. Verder heeft hof ook niet onbegrijpelijk geoordeeld dat in dat verband door verdachte geschetst scenario (€ 7.000 was spaargeld en voor het overige wist zij niet van geld in haar woning) ongeloofwaardig is, waarbij hof heeft gelet op negatieve vermogensvergelijking, feit dat zij niet nader heeft geconcretiseerd waar geldbedrag vandaan kwam en omstandigheid dat inbeslaggenomen “spaargeld” ook tien biljetten van € 500 omvatte, terwijl ergens anders in woning ook biljetten van € 500 zijn aangetroffen naast zeer forse hoeveelheden biljetten van € 20. Gelet hierop en in licht van wat is vooropgesteld, is ’s hofs oordeel dat verdachte (samen met haar echtgenoot) niet alleen auto en geldbedrag van ongeveer € 7.000 maar ook andere in haar woning aangetroffen contante geldbedragen voorhanden heeft gehad a.b.i. art. 420bis.1 Sr en dat zij wist dat die geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met 21/02994, 21/03019, 21/03043, 21/03079, 21/03102 en 21/03282 en met 21/03101 en 21/03103 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
De uitspraak op rechtspraak.nl