HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:162

OM-cassatie. Vrijspraak medeplegen invoer van grote hoeveelheid cocaïne (art. 2.A Opiumwet), medeplegen voorbereiding van cocaïnetransport (art. 10a Opiumwet) en medeplegen vervoeren van cocaïne (art. 2.B Opiumwet) in 2007. Bewijsuitsluiting wegens ontbreken van mogelijkheid van contra-expertise op de grond dat in container aangetroffen materiaal vroegtijdig is vernietigd, waardoor geen tegenonderzoek meer mogelijk is. Dienen stukken (onderzoek NFI m.b.t. in container aangetroffen materiaal) van bewijs te worden uitgesloten? HR: Op redenen vermeld in ECLI:NL:HR:2014:1451 slaagt middel. ECLI:NL:HR:2014:1451: ’s Hofs oordeel dat rapporten en verklaringen moeten worden aangemerkt als ‘resultaten van onderzoek die door verzuim zijn verkregen’ a.b.i. art. 359a.1.b Sv is ontoereikend gemotiveerd, nu omstandigheid dat a.g.v. enig verzuim het voor verrichten van tegenonderzoek bestemde materiaal in het ongerede is geraakt, niet meebrengt dat verkrijging van voornoemd bewijsmateriaal als ‘resultaat’ van dat in het ongerede raken en reeds op die grond als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Tegen deze achtergrond is ‘s hofs oordeel dat “met vernietigen van alle monsters inbreuk [is] gemaakt op fundamenteel element van verdachtes recht op eerlijk proces a.b.i. art. 6.1 EVRM, meer i.h.b. van daarin vervat beginsel van ‘equality of arms’”, is niet z.m. begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG gaat ambtshalve in op processuele voorvraag of cassatieberoep OM ex art. 433.1 Sv aan verdachte in persoon had moeten worden aangezegd. Samenhang met 19/04630 en ECLI:NL:HR:2014:1451.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken