HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:161
OM-cassatie. Vrijspraak medeplegen invoer van grote hoeveelheid cocaïne (art. 2.A Opiumwet), medeplegen voorbereiding van cocaïnetransport (art. 10a Opiumwet) en medeplegen vervoeren van cocaïne (art. 2.B Opiumwet) in 2007 o.g.v. bewijsuitsluiting. Processuele voorvraag. Had cassatieberoep OM ex art. 433.1 Sv aan verdachte in persoon moeten worden aangezegd? HR: Op redenen vermeld in CAG kan zaak o.g.v. art. 434.3 Sv nog niet door HR worden behandeld. CAG: Nu uit zaaksdossier niet kan worden afgeleid dat verdachte op de hoogte is van het door OM ingestelde cassatieberoep, verzet art. 434.3 Sv zich tegen voortgang van zaak in cassatie. Ratio van dit art. is immers dat verdachte, nadat hij bekend is geworden met ingesteld cassatieberoep, mogelijkheid krijgt om zich tegen dit beroep te verweren en hiertegen incidenteel beroep in cassatie in te stellen. Die mogelijkheid mag verdachte niet worden onthouden. HR voert zaak van de rol. Samenhang met 19/04632 en ECLI:NL:HR:2014:1451.
De uitspraak op rechtspraak.nl