HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1033

Medeplegen van in authentieke akte valse opgave doen opnemen, art. 227.1 Sr en gewoontewitwassen, art. 420ter jo. 420bis.1.a en 420bis.1.b Sr. 1. Is btw-nummer in notariële akte van levering ‘een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken’ a.b.i. art. 227 Sr? 2. Bewijsklacht gewoontewitwassen. Zijn voorwerpen afkomstig uit valsheid in geschrift en niet-ambtelijke omkoping? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:1980:AC7086 m.b.t. vereiste dat authentieke akte is bestemd om de waarheid van dat feit te doen blijken. Uit ’s hofs bewijsvoering volgt dat rechtspersoon van verdachte d.m.v. notariële akte een registergoed betreffende een appartementsrecht heeft verkocht aan A. In akte ‘koop en levering van een registergoed’ is neergelegd dat partijen opteren voor een belaste levering van onroerend goed a.b.i. art. 11.1.a.2 Wet OB. In akte zijn tevens btw-nummers van zowel verkoper als koper opgenomen. Hof heeft vastgesteld dat koper geen ondernemer was in de zin van Wet OB, dat toen aan haar geen btw-nummer was toegekend en dat in akte niet-bestaand btw-nummer van koper is opgenomen. ’s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat in notariële akte opgenomen btw-nummer van koper, een feit oplevert “van welks waarheid die akte moet doen blijken”, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Opgave van btw-nummer diende immers mede om aan te tonen dat is voldaan aan (een van) vereisten voor belaste levering, terwijl blijkens art. 11.1.a.2 Wet OB keuze voor belaste levering van ondernemer die levering verricht en degene aan wie wordt geleverd dient te blijken uit notariële akte van levering. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:572 m.b.t. vraag wanneer voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf a.b.i. art. 420bis en 420ter Sr. Hof heeft vastgesteld dat verdachte afspraken heeft gemaakt met medeverdachte over vergoedingen voor ‘bewezen diensten’. Verdachte heeft t.b.v. die betalingen facturen opgesteld en vanuit zijn bedrijf verstuurd naar bedrijf B. Op facturen staat als omschrijving ‘interim management’. Hof heeft vastgesteld dat deze omschrijvingen vals zijn, omdat verdachte nooit (interim management) werkzaamheden heeft verricht voor bedrijf B, en dat bedoeling van deze omschrijvingen was om herkomst van geldbedragen te verhullen. Hof heeft verder vastgesteld dat op bankrekening van bedrijf verdachte 4 geldbedragen zijn ontvangen, afkomstig van bedrijf B, en dat omschrijving van deze betalingen verwijst naar de ‘valselijk door verdachte opgemaakte facturen’. Verdachte heeft deze geldbedragen vervolgens gebruikt voor aankoop en verkoop van onroerend goed. Hof heeft geoordeeld dat in bewezenverklaring genoemde geldbedragen zijn verkregen door de valsheid in geschrift en “door de handelwijze van verdachte t.a.v. C en D”, die hof beschouwt als een vorm van niet-ambtelijke omkoping. V.zv. hof tot uitdrukking heeft willen brengen dat in bewezenverklaring genoemde geldbedragen (mede) afkomstig zijn uit valsheid in geschrift, omdat ontvangst en betaling van geldbedragen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van valse facturen, getuigt dat oordeel van onjuiste rechtsopvatting. V.zv. hof tot uitdrukking heeft willen brengen dat in bewezenverklaring genoemde geldbedragen (mede) afkomstig zijn uit de niet-ambtelijke omkoping van C en D, is dat oordeel niet z.m. begrijpelijk. Uit bewijsvoering volgt immers niet dat verdachte werkzaam was in dienstbetrekking bij of optrad als lasthebber voor E. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken