HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:523
Militaire zaak. Opzettelijke schending van een ambtsgeheim (meermalen gepleegd) door als wachtmeester van Koninklijke Marechaussee voor privédoeleinden vertrouwelijke informatie over familieleden en vrienden op te zoeken in geautomatiseerde systemen van KMar, art. 272.1 Sr. Levert het ‘voor zichzelf ontsluiten van geheime informatie’, zonder die informatie met een derde te delen, ‘schending’ van ambtsgeheim a.b.i. art. 272 Sr op? Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het ‘schenden’ van een geheim in de zin van art. 272 Sr moet worden uitgelegd als het verstrekken van geheime gegevens aan een ander die tot kennisneming daarvan onbevoegd is. Gelet hierop geeft ‘s hofs oordeel dat verdachte zijn ambtsgeheim heeft geschonden door geheime gegevens voor zichzelf te ontsluiten, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 19/03768.
De uitspraak op rechtspraak.nl