HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:46
Diefstal en poging tot diefstal, art. 310 Sr. Strafmotivering, WETS en Kaderbesluit 2008/947/JBZ. Kan taakstraf worden opgelegd aan verdachte die woonachtig is in ander land EU (Tsjechië) dan Nederland? Hof heeft verdachte veroordeeld tot gevangenisstraf van zes weken en daartoe o.m. overwogen dat het geen taakstraf zal opleggen gelet op feit dat verdachte in buitenland woonachtig is. Ttz. in h.b. is namens verdachte aangevoerd dat vervullen van taakstraf, mede gelet op haar medische conditie en haar werk, lastig zal zijn en is mede om die reden geen taakstraf maar geheel voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit. Gelet daarop en in aanmerking genomen wat Hof voor het overige in aanmerking heeft genomen bij strafoplegging, heeft verdachte onvoldoende belang bij klacht. HR merkt op dat strafoplegging wordt bepaald door uiteenlopende factoren, waaronder ernst van feit en persoon van verdachte, en dat feitenrechter - binnen grenzen van ter zake geldend strafmaximum - vrij is in keuze van straf, waaronder ook is te verstaan keuze van strafsoort, en in waardering van factoren die hij daartoe van belang acht (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AY7805). Enkele omstandigheid dat verdachte in andere lidstaat EU woonachtig is, staat niet in de weg aan oplegging van taakstraf. Gelet op toepasselijk juridisch kader (WETS en Kaderbesluit) belet die enkele omstandigheid immers op zichzelf niet tenuitvoerlegging in andere lidstaat. Dat laat onverlet dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat rechter bij beantwoording van vraag of oplegging van taakstraf aangewezen is, mede betrekt of reëel vooruitzicht bestaat dat die straf ook zal (kunnen) worden tenuitvoergelegd. Zo is OM o.g.v. Kaderbesluit en WETS niet verplicht om rechterlijke uitspraak waarbij verplichting tot verrichten van taakstraf is opgelegd toe te zenden aan andere lidstaat, terwijl voor de door OM in dit verband te nemen beslissingen o.m. van belang is dat die andere lidstaat zich kan beroepen op in art. 11 Kaderbesluit genoemde weigeringsgronden, waaronder die m.b.t. (minimale) duur van alternatieve straf. HR ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan HvJ EU m.b.t. Kaderbesluit. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl