HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:341
Verduistering door wasmachine, koelkast en spiegel mee te nemen uit door verdachte gehuurde, deels gemeubileerde woning, art. 321 Sr. Salduz. Consultatierecht en verhoorbijstand t.a.v. uit anderen hoofde gedetineerde verdachte. 1. Is verdachte voorafgaand aan politieverhoor in gelegenheid gesteld advocaat te raadplegen? 2. Had Hof aan omstandigheid dat verdachte voorafgaand aan politieverhoor niet is gewezen op zijn recht op verhoorbijstand rechtsgevolg van bewijsuitsluiting moeten verbinden? Temporele werking Richtlijn 2013/48/EU. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:2056 m.b.t. recht op consultatiebijstand en gevolgen van schending van dit recht en ECLI:NL:HR:2012:BW9264 m.b.t. uit anderen hoofde gedetineerde verdachte t.a.v. wie verdenking is gerezen van nieuw strafbaar feit. Hof heeft vastgesteld dat aan verdachte - die werd verdacht van verduistering en op dat moment uit anderen hoofde was gedetineerd - alvorens hem vragen zijn gesteld die betrekking hadden op diens betrokkenheid bij dat strafbare feit, is gevraagd of hij advocaat wilde raadplegen en dat verdachte daarop expliciet en ondubbelzinnig heeft geantwoord dat dat niet hoefde. Op grond daarvan heeft Hof geoordeeld dat verdachte gelegenheid heeft gehad advocaat te raadplegen en dat zijn recht op consultatiebijstand niet is geschonden. Dat oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Omstandigheid dat verdachte direct voorafgaand aan stellen van vragen t.z.v. strafbaar feit waarvan hij werd verdacht (mondeling) werd geïnformeerd over zijn recht op consultatiebijstand, maakt dat niet anders. Ad 2. Hof heeft geoordeeld dat o.g.v. rechtspraak HR t.t.v. verhoor geen recht bestond op verhoorbijstand en dat het geen aanleiding ziet van die rechtspraak af te wijken. Aangehouden verdachte heeft sinds 22-12-2015 recht op verhoorbijstand (vgl. ECLI:NL:HR:2015:3608 en ECLI:NL:HR:2016:2018). Verdachte kon t.t.v. politieverhoor op 5-11-2013 noch aan art. 28 Sv, noch aan art. 6 EVRM een aanspraak op verhoorbijstand ontlenen. Ook aan Richtlijn kon verdachte geen aanspraak op verhoorbijstand ontlenen, nu t.t.v. politieverhoor omzettingstermijn van Richtlijn (tot 27 november 2016) nog niet verstreken. Dat die implementatietermijn thans wel is verstreken, brengt niet met zich dat recht op verhoorbijstand met terugwerkende kracht is komen te gelden voor politieverhoren die voordien hebben plaatsgevonden. Voornoemde rechtspraak betreft ook niet uitlegging van nationaal recht die, na verstrijken van omzettingstermijn, verwezenlijking van met Richtlijn nagestreefde doelstelling ernstig in gevaar zou kunnen brengen (vgl. ECLI:NL:HR:2017:1233). Opvatting dat aan omstandigheid dat politieverhoor heeft plaatsgevonden voorafgaand aan implementatie van Richtlijn of verstrijken van omzettingstermijn, terwijl verdachte daarbij geen aanspraak heeft kunnen maken op verhoorbijstand waarin die Richtlijn voorziet, rechtsgevolg van bewijsuitsluiting dient te worden verbonden, indien moment waarop rechter oordeelt in strafzaak m.b.t. feit waarop dat verhoor betrekking had, is gelegen na moment van implementatie of verstrijken van implementatietermijn, is onjuist. Richtlijn beoogt niet rechtsgevolgen te verbinden aan omstandigheid dat voor moment van implementatie van Richtlijn of verstrijken van omzettingstermijn politieverhoor heeft plaatsgevonden waarbij door verdachte geen aanspraak kon worden gemaakt op verhoorbijstand. Ook rechtspraak HvJ EU biedt geen steun aan deze opvatting. Gelet hierop wordt verzoek tot stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU afgewezen. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl