HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:555
Jeugdzaak. Medeplegen poging tot zware mishandeling door een ander naar de grond te brengen en hem vervolgens tegen het hoofd te schoppen en te slaan, art. 302.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van verklaring die minderjarige verdachte bij politie heeft afgelegd zonder dat hij voorafgaand aan en tijdens verhoor was voorzien van rechtsbijstand. Recht op rechtsbijstand van minderjarige, uit anderen hoofde gedetineerde verdachte. O.g.v. art. 489.1 Sv moet voor aangehouden minderjarige verdachte die wordt opgehouden voor onderzoek raadsman worden aangewezen, tenzij verdachte raadsman heeft gekozen en deze of vervangende raadsman tijdig beschikbaar zal zijn. Aanwijzing van raadsman brengt met zich dat rechtsbijstand van deze raadsman voor verdachte kosteloos is (art. 43.1 Wet op de rechtsbijstand). Verder kan deze verdachte o.g.v. art. 489.2 Sv geen afstand doen van recht op rechtsbijstand a.b.i. art. 28.1 Sv. Minderjarige, uit anderen hoofde gedetineerde verdachte t.a.v. wie verdenking is gerezen van nieuw strafbaar feit, bevindt zich wat betreft deze regels in met aanhouding vergelijkbare situatie (vgl. HR:2019:341). Voor zo’n verdachte moet daarom eveneens raadsman worden aangewezen, tenzij verdachte raadsman heeft gekozen en deze of vervangende raadsman tijdig beschikbaar zal zijn. Daarnaast kan zo’n verdachte geen afstand doen van recht op rechtsbijstand a.b.i. art. 28.1 Sv. Hof heeft vastgesteld dat minderjarige verdachte voor feit waarover hij tegenover politie verklaring heeft afgelegd niet was aangehouden, maar dat hem op dat moment uit anderen hoofde zijn vrijheid was ontnomen. Op grond daarvan heeft hof kennelijk geoordeeld dat hiervoor bedoelde regels niet van toepassing zijn. Dat oordeel is echter onjuist. Dat brengt met zich dat ook oordeel dat verdachte rechtsgeldig afstand kon doen van zijn recht op rechtsbijstand en dat daarom geen sprake is van vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv vanwege schending van recht op rechtsbijstand, onjuist is. Vraag of huidige wettelijke regeling van rechtsbijstand aan minderjarige verdachten voorafgaand en tijdens (eerste) politieverhoor, ook in gevallen waarin minderjarige verdachte zich in vrijheid bevindt, volledig in overeenstemming is met art. 6 Richtlijn 2016/800/EU over procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in strafprocedure, behoeft in deze zaak geen beantwoording gelet op wat hiervoor is overwogen. Volgt vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl