HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2153
Medeplegen voorhanden hebben luchtdrukpistool, zijnde een voorwerp dat wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, art. 13.1 WWM jo. 2.1 WWM en 3.a RWM. Art. 3.a RWM onverbindend t.a.v. luchtdrukwapens i.v.m. strijd met lex certa-beginsel? Middel voert aan dat het in art. 3.a RWM gebezigde criterium van "een sprekende gelijkenis" niet onderscheidend is en daarmee niet toepasbaar op luchtdrukwapens, aangezien luchtdrukwapens onvermijdelijk overeenkomsten vertonen met vuurwapens omdat om projectielen te kunnen verschieten beide dienen te beschikken over o.m. een loop, een kolf (handvat) en een trekker. In ECLI:NL:HR:2018:153 is, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis alsmede naar art. 2.1 jo. bijlage I.2.e van Richtlijn 2009/48/EG, geoordeeld dat een met de bedoeling van de wetgever strokende uitleg van art. 3 RWM inhoudt dat onder een lucht-, gas- of veerdrukwapen dat wat betreft vorm en afmetingen "een sprekende gelijkenis" vertoont met een vuurwapen moet worden verstaan: een wapen als voormeld dat wat betreft vorm en afmetingen niet of nauwelijks van een echt vuurwapen te onderscheiden is. Anders dan het middel betoogt, is art. 3 RWM niet in strijd met het lex certa-beginsel (bepaaldheidsgebod). Die bepaling maakt, mede gelet op hetgeen in ECLI:NL:HR:2018:153 m.b.t. de uitleg van die bepaling is overwogen, voldoende concreet duidelijk op welke voorwerpen zij ziet en stelt de burgers voldoende in staat hun gedrag daarop af te stemmen. Volgt verwerping. Samenhang met 17/01403.
De uitspraak op rechtspraak.nl