HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2095
Tussenarrest herziening n.a.v. aanvraag AG bij HR. Rosmalense flatmoord. Doodslag op vriendin door met mes haar keel door te snijden, art. 287 Sr. TBS met dwangverpleging na ontslag van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid. Aangevoerd wordt dat bevindingen deskundigen C en D, die wijzen op zelfdoding door slachtoffer, deskundigenberichten betreffen waarmee Hof niet bekend kon zijn en die onverenigbaar zijn met bewezenverklaring, die nagenoeg uitsluitend is gebaseerd op conclusies deskundigen A en B. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:605 m.b.t. toepasselijke uitgangspunten en regels die in elke herzieningszaak worden gehanteerd. Daarin is onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2016:736 o.m. ingegaan op de eisen die gelden indien aanvraag zich beroept op een nieuw en/of gewijzigd deskundigeninzicht. Daaraan voegt HR met het oog op de onderhavige zaak nog toe dat sinds ECLI:NL:HR:2008:BA1024 aan de omstandigheid dat een deskundige op wiens bevindingen de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, nadien tot een ander oordeel komt, in beginsel meer gewicht kan worden toegekend dan aan een - van die deskundige afwijkend - oordeel van een andere deskundige. Een herzieningsaanvraag die uitsluitend is gebaseerd op het inzicht van iemand die op het desbetreffende terrein deskundig is, dat afwijkt van het inzicht van de deskundige waarop de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, is niet z.m. toereikend voor herziening. Voor de beoordeling van zo een aanvraag is derhalve van belang waarin het verschil van inzicht zijn grond vindt. De aanvraag dient daaromtrent, aan de hand van de in het beoordelingskader genoemde factoren, een toelichting te bevatten. In dat verband kan van belang zijn de reactie van een deskundige die in de strafzaak heeft verklaard, op het inzicht van de deskundige waarop de herzieningsaanvraag steunt. Herzieningsaanvraag berust erop dat de bewezenverklaring van doodslag nagenoeg uitsluitend is gebaseerd op de conclusies van bloedspoorpatroondeskundige A en de bevindingen van forensisch geneeskundige B. Hun cruciale conclusies worden tegengesproken door bloedspoorpatroondeskundige C en forensisch patholoog D. Hun rapportages verhouden zich - aldus de aanvraag - slecht met de bewezenverklaring van doodslag en met name de rapportages van C wijzen sterk in de richting van het scenario van zelfdoding door het slachtoffer. Aanvraag berust op de stelling dat de bevindingen van C en D deskundigeninzichten betreffen waarmee Hof niet bekend kon zijn en die onverenigbaar zijn met de bewezenverklaring van doodslag. Aanvraag bevat evenwel onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen of en in hoeverre die bevindingen kunnen gelden als nova. Aanvraag miskent dat aan de omstandigheid dat deskundige op wiens bevindingen de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, nadien tot een ander oordeel komt, in beginsel meer gewicht kan worden toegekend dan aan een - van die deskundige afwijkend - oordeel van andere deskundige, en dat dit betekent dat een herzieningsaanvraag die uitsluitend is gebaseerd op het inzicht van iemand die op het desbetreffende terrein deskundig is, dat afwijkt van het inzicht van deskundige waarop de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, niet z.m. toereikend is voor herziening. Dientengevolge kan een reactie van deskundigen die in deze strafzaak hebben gerapporteerd, reeds bij de beoordeling van de aanvraag van belang zijn. HR stipt nog aan dat in aanvraag niet is vermeld of de plaats op de broek (voor- of achterzijde) van gewezen verdachte waar bloed van slachtoffer is aangetroffen van belang is geacht voor de beoordeling van de aan de aanvraag ten grondslag gelegde stelling. Voorts merkt HR op dat aanvraag niet steunt op de mogelijke waandenkbeelden van slachtoffer, terwijl deze mededeling mogelijk van belang kan zijn i.v.m. het scenario dat slachtoffer zichzelf het dodelijke letsel heeft toegebracht. HR stelt met toepassing van art. 469.1 Sv de stukken in handen van AG teneinde nader onderzoek te verrichten en zo nodig mede o.g.v. de resultaten daarvan aanvraag aan te passen. Vervolg op: ECLI:NL:HR:2008:BF0832.
De uitspraak op rechtspraak.nl