HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:581
Schietpartij op woonwagenkamp te Breda, waarbij verdachte is veroordeeld wegens medeplegen moord op 12-jarige jongen en medeplegen poging tot moord op diens moeder. Verdachte en medeverdachten hadden aanvankelijk het plan de vader van de jongen te ontvoeren en mee te nemen in een bus maar toen het niet lukte de woonwagen te openen, hebben een aantal van de mannen op de ramen en de deur van de woonwagen geschoten. 1. Medeplegen, opzet gericht op de dood. 2. Voorbedachte raad. Ad 1. Uit de door het Hof vastgestelde f&o heeft het Hof kunnen afleiden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van de 12-jarige jongen en diens moeder, zoals is bewezenverklaard, en dat hij aan de bewezenverklaarde (poging) tot moord een zodanige intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd dat van bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten kan worden gesproken. Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn toereikend gemotiveerd. Ad 2. ’s Hofs oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten de bewezenverklaarde (poging tot) opzettelijke levensberoving met voorbedachte raad hebben begaan, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, in het licht van de f&o die het Hof omtrent de toedracht heeft vastgesteld, niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat in ’s Hofs overwegingen tot uitdrukking is gebracht dat (ook) verdachte vanaf de gezamenlijke voorbereidingen voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op het besluit om gebruik te maken van vuurwapens bij de actie op de woonwagen en dat geen f&o aannemelijk zijn geworden waaruit kan volgen dat verdachte niet in overeenstemming met dat besluit is blijven handelen of anderszins kenbaar van dat genomen besluit afstand heeft genomen. Samenhang met 15/05620 en 15/05622.
De uitspraak op rechtspraak.nl