Rb. Noord-Nederland 28 november 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4483
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie: Bij beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 6 april 2018, is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte, vanwege de gang van zaken rond de voeging aan het strafdossier van een proces-verbaal van verhoor van een getuige. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 25 juli 2019 voormeld vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen. In het arrest heeft het gerechtshof onder meer vastgesteld dat er sprake is geweest van een onherstelbare vormverzuim maar dat van enige misleiding door het openbaar ministerie van de rechter in zijn controlerende taak of het ondernemen van pogingen daartoe niet is gebleken. Een situatie waarin door of namens het openbaar ministerie is gehandeld in strijd met de grondslagen van het strafproces, waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt, acht het gerechtshof evenmin aan de orde. Het gerechtshof heeft het beroep van de verdediging op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie verworpen, het openbaar ministerie ontvankelijk verklaard in de vervolging, het vonnis vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Ingevolge artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dient de rechtbank thans, met inachtneming van de vorenstaande vaststellingen, de zaak opnieuw in volle omvang te beoordelen. Nu het gerechtshof heeft beslist dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte dient dit als uitgangspunt te gelden en kan een - hernieuwd - beroep op niet-ontvankelijkheid op dezelfde gronden niet slagen. De door de raadvrouw aangehaalde arresten van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:1889 & 1890) vormen naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om de door het gerechtshof vastgestelde feiten en de daaraan te verbinden gevolgen opnieuw te beoordelen. De Hoge Raad overweegt in voornoemde arresten dat er geen aanleiding is substantiële wijziging aan te brengen in het beoordelingskader van de arresten ECLI:NL:HR:2004:AM2533 en ECLI:NL:HR:2013:BY5321 (arresten die door het gerechtshof op 25 juli 2019 in de zaak van verdachte aan de beslissing ten grondslag zijn gelegd). Het beroep van de verdediging op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt derhalve verworpen. Ten aanzien van het bewijs: De vraag die thans voorligt is of verdachte betrokken is geweest bij de woningoverval in Gees en zo ja, hoe deze betrokkenheid dient te worden gekwalificeerd. De rechtbank overweegt dat op basis van de voorhanden stukken niet kan worden vastgesteld dat verdachte tijdens de overval in de woning aanwezig is geweest. Voor de beoordeling van zijn betrokkenheid dient derhalve te worden gekeken naar momenten voorafgaand aan en volgend op de overval. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat kan worden vastgesteld dat verdachte is meegereisd naar de omgeving van Gees, dat hij vóór en na de overval telefonische contacten heeft onderhouden met de daders en aanwezig is geweest in de omgeving van Gees en dat hij vrijwel gelijktijdig mee terug is gereisd naar Pijnacker. Er zijn voorts sterke aanwijzingen dat de door hem gehuurde auto is gebruikt. De rechtbank overweegt ten aanzien van de juridische beoordeling van het ten laste gelegde medeplegen en het opzet op de dood van [slachtoffer] het volgende. De rechtbank is van oordeel dat verdachte gelet op al het voorgaande moet worden aangemerkt als medepleger, ook al kan zijn rol op basis van het strafdossier niet exact worden geduid. In een dergelijk geval heeft te gelden, aldus de Hoge Raad, dat als er sprake is van feiten en omstandigheden die op betrokkenheid bij een strafbaar feit duiden, sprake kan zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte van belang is voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat het opzet van verdachte was gericht op de diefstal met geweld. De beoogde buit - de inhoud van kluizen, voor het openen waarvan de medewerking van de eigenaar moest worden afgedwongen - en het meenemen van tape en een wapen, zijn daarvoor duidelijke aanwijzingen. Als verdachte al niet wist dat geweld zou worden gebruikt, had hij dit moeten en kunnen voorzien. Voor een bewezenverklaring van gekwalificeerde doodslag dan wel moord is echter vereist dat hij ook opzet had op de dood van het slachtoffer. Hiervan is de rechtbank niet gebleken. Pas nadat sprake was van (fors) verzet door het slachtoffer hebben de drie mededaders ervoor gekozen om ernstig en langdurig geweld toe te passen ten gevolge waarvan het slachtoffer is komen te overlijden. De aansprakelijkheid van verdachte blijft onder die omstandigheden beperkt tot waar zijn opzet op gericht was . Bij een gronddelict dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden volstaat opzet op het gronddelict. Dit leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het meer subsidiair onder B ten laste gelegde feit, medeplegen van diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend. De rechtbank zal verdachte van het primair, subsidiair en meer subsidiair onder A tenlastegelegde vrijspreken.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889
- Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6125
- Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6128
- HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1158
- HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:581
- HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315
- HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321
- HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533