HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ8669
Antilliaanse zaak. OM-cassatie en cassatie verdachte. 1. Foltering a.b.i. art. 2.1 Uitvoeringslandsverordening folteringsverdrag (UF). 2. Art. 402.1/7 SvNA. Ad 1. HR stelt voorop dat de voor art. 2 UF vereiste ernst van de mishandeling uitdrukking heeft gevonden in verschillende, ten laste te leggen bestanddelen van de delictsomschrijving, i.h.b. in de omstandigheden waaronder en oogmerken waarmee het delict wordt begaan en de voorwaarde dat de gedragingen naar hun aard het beoogde doel kunnen bevorderen. Daarbij geldt dat de ernst van de mishandeling niet uitsluitend wordt bepaald door de aard en de omvang van het daardoor toegebrachte fysieke of psychische letsel. Ook in gevallen waarin geen sporen van fysiek of psychisch letsel achterblijven, kan het toebrengen van hevige pijnen of hevig geestelijk leed mishandeling in voormelde zin opleveren. I.c. is ’s Hofs kwalificatie van het bewezenverklaarde als (medeplegen van) foltering i.d.z.v. art. 2.1 UF juist. De uitleg die het EHRM heeft gegeven aan “torture”in art. 3 EVRM leidt niet tot een ander oordeel. Ad 2. Het Hof heeft in strijd met art. 402.1 SvNA verzuimd de inhoud van de bewijsmiddelen op te nemen. Ex art. 402.7 SvNA leidt dit tot nietigheid.
De uitspraak op rechtspraak.nl