HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026
Art. 359.3 Sv. Klacht in cassatie dat het Hof de bewezenverklaring ten onrechte heeft doen steunen op b.m. waarvan de inhoud niet in het bestreden arrest is opgenomen. Voorafgaande opmerkingen HR over bewijsmotiveringsvoorschriften n.a.v. bestaande onduidelijkheden omtrent de toepassing van de voorschriften door een hof ingeval van bevestiging dan wel vernietiging van een mondeling vonnis. Opmerkingen hebben betrekking op 1) bevestiging van een mondeling vonnis bij een schriftelijk arrest, 2) vernietiging van een mondeling vonnis bij een schriftelijk arrest en 3) bevestiging en vernietiging van een mondeling vonnis bij mondeling arrest. Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197). I.c. vernietiging mondeling vonnis bij een schriftelijk arrest. Ad 2: In geval van vernietiging van een mondeling vonnis dient het arrest van de meervoudige kamer van het hof te voldoen aan o.a. 359.3 eerste volzin Sv, ingevolge welke bepaling het hof de (uitgewerkte) inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen in zijn arrest moet vermelden. Het hof kan in zo een geval wat betreft de bewijsvoering dus niet volstaan met het slechts uit de aantekening mondeling vonnis overnemen van de daarin overeenkomstig de Regeling vervatte verwijzing naar het p-v van de tz. en/of andere processtukken, tenzij zich het geval voordoet als bedoeld in 359.3 tweede volzin Sv (bekennende verdachte). I.c. deed zich niet voor het geval als bedoeld in art. 359.3 tweede volzin Sv en kon het Hof wat betreft de bewijsvoering dus niet volstaan met de verwijzing naar het p-v van de tz. van de Pr.
De uitspraak op rechtspraak.nl