HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:230

Artt. 190, 344a, 360 Sv. De in art. 344a.3 Sv gebezigde term “personen wier identiteit niet blijkt” omvat niet een geval als i.c. waarin het gaat om personen wier persoonsgegevens niet (volledig) zijn vermeld in het p-v waarin hun verklaringen zijn opgenomen, maar van wie vaststaat dat zij wel zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige door de RC of ttz. kan verzoeken. De omstandigheid dat i.c. de betrokkene, een bevoegd opsporingsambtenaar behorende tot het aangegeven politieonderdeel, naderhand door de RC is gehoord ex art. 190.3 Sv brengt mee dat aan het gebruik van het p-v, houdende diens verklaring dezelfde eisen dienen te worden gesteld als aan het gebruik van verklaringen van beperkt anoniem verhoorde getuigen. Uit de ex 360.1 Sv vereiste motivering van het gebruik van een aldus afgelegde verklaring dient allereerst de reden voor de beperkte anonimiteit te blijken. Voorts moet daaruit blijken dat de beperkte anonimiteit geen afbreuk heeft gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging (vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZD0799). Het Hof heeft met de aanduiding van de getuige als politiële pseudokoper kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de reden voor de beperkte anonimiteit voortvloeit uit de functie van een onder codenummer aangeduide opsporingsambtenaar die deel uitmaakt van een politieel infiltratieteam. Ook v.zv. het middel klaagt dat het Hof niet heeft doen blijken dat de beperkte anonimiteit geen afbreuk heeft gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging, kan het niet tot cassatie leiden, in aanmerking genomen dat de verdediging de gelegenheid heeft gehad deze getuige t.o.v. de RC over de inhoud van deze p-v’s te ondervragen en het Hof heeft vastgesteld dat verdachte de juistheid van het daarin gerelateerde niet wezenlijk heeft betwist.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken