HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:722
Personen wier identiteit niet blijkt of beperkt anoniem verhoorde getuigen? Art. 190.3 Sv, art. 344a.3 Sv en art. 360.1 Sv. Personen wier identiteit niet blijkt ex art. 344a.3 Sv omvat niet personen wier persoonsgegevens niet (volledig) zijn vermeld in het p-v waarin hun verklaringen zijn opgenomen, maar van wie vaststaat dat zij wel zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige door de RC of ttz kan verzoeken (vgl. HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:230, NJ 2014/362). Een aantal van de betrokkenen, bevoegde opsporingsambtenaren, is naderhand verhoord door de RC ex art. 190.3 Sv. Dit brengt mee dat aan het gebruik van de genoemde activiteitenjournaals en het p-v van observatie, houdende de verklaring van die opsporingsambtenaren, dezelfde eisen dienen te worden gesteld als aan het gebruik van verklaringen van beperkt anoniem verhoorde getuigen (motivering ex art. 360.1 Sv). Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de reden voor de beperkte anonimiteit van de getuigen voortvloeit uit de functie van een onder codenummer aangeduide opsporingsambtenaar die deel uitmaakt van een observatieteam en uit vrees voor represailles. In aanmerking genomen dat de verdediging de gelegenheid heeft gehad deze getuigen ten overstaan van de RC te horen over de inhoud van deze activiteitenjournaals en het p-v van observatie en het hof heeft vastgesteld dat de vd de juistheid van het daarin gerelateerde niet wezenlijk heeft betwist, kan het middel, vzv het klaagt dat het hof niet heeft doen blijken dat de beperkte anonimiteit geen afbreuk heeft gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging, niet tot cassatie leiden (vgl. HR 23 september 1997, NJ 1998/135). Volgt verwerping. CAG gevolgd. Samenhang 16/00554.
De uitspraak op rechtspraak.nl