HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2056
1. Afwijzing getuigenverzoek. Herstelmogelijkheid maatstaf. Regiezitting. 2. Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik. 3. Vordering beledigde partij. Schadevergoedingsmaatregel. Ad 1. Een tz. in h.b. kan worden aangemerkt als een 'regiezitting' indien die zitting wordt benut om, vooruitlopend op de inhoudelijke behandeling van het h.b., beslissingen te nemen die van belang zijn voor de omvang en inrichting van die inhoudelijke behandeling. Het voorbereidende karakter van een dergelijke zitting brengt mee dat zich gevallen kunnen voordoen waarin de rechter het weliswaar niet nodig acht de beslissing op een verzoek van een procespartij tot het horen van een getuige aan te houden (vgl. HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9346), doch hij in de motivering van zijn afwijzende beslissing van dat verzoek niettemin tot uitdrukking brengt dat pas bij de inhoudelijke behandeling van de zaak de voor de beoordeling van dat verzoek relevante belangen in hun volle omvang – en met toepassing van de ten tijde van de regiezitting geldende beoordelingsmaatstaf – gewogen kunnen worden. Indien die procespartij het in zo een geval wenselijk acht dat de desbetreffende getuige alsnog wordt gehoord, zal hij die wens voorafgaand aan of tijdens die inhoudelijke behandeling kenbaar moeten maken door een daartoe strekkend, gemotiveerd verzoek te doen. De afwijzing door het Hof op de regiezitting van de verzoeken tot het horen van een tweetal getuigen, moet aldus worden verstaan dat het Hof deze verzoeken heeft afgewezen omdat het zich o.b.v. wat bij gelegenheid van de regiezitting ter tafel was, onvoldoende ingelicht achtte om – met toepassing van de daarvoor geldende maatstaf – de verzoeken te kunnen toewijzen. Nu de verdediging haar verzoek tot het horen van de twee getuigen bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling van de zaak niet meer naar voren heeft gebracht, bestond voor het Hof bij die behandeling geen aanleiding zich ambtshalve te buigen over de vraag of dit eerder als onvoldoende onderbouwd afgewezen verzoek alsnog voor toewijzing in aanmerking kwam. Wanneer gedurende een eerdere tz. een verzoek van een procespartij is afgewezen en de rechter nadien constateert dat aan die afwijzing een gebrek kleeft ten aanzien van bijvoorbeeld de daarin gehanteerde beoordelingsmaatstaf, zal de rechter dit gebrek kunnen herstellen door op de latere tz. het verzoek ambtshalve opnieuw aan de orde te stellen en – indien de desbetreffende procespartij het verzoek handhaaft – daarover opnieuw te beslissen a.d.h.v. de t.t.v. die eerdere tz. geldende beoordelingsmaatstaf doch met inachtneming van alle gegevens die hem t.t.v. het nemen van zijn beslissing bekend zijn. Met deze herstelmogelijkheid wordt de kwaliteit van de gedingvoering bevorderd en wordt ook voorkomen dat een strafzaak wordt behandeld en afgerond terwijl ten tijde van die behandeling en afronding reeds vaststaat dat een eerder in die zaak gegeven beslissing lijdt aan een gebrek dat grond zou kunnen bieden aan bijvoorbeeld een cassatieklacht. Ad 2. Het in ’s Hofs overwegingen besloten liggende oordeel dat de niet-naleving van de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik niet een zodanig ernstig vormverzuim oplevert dat dit moet leiden tot OM n-o geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van hetgeen is aangevoerd ook niet onbegrijpelijk. Ad 3. HR herhaalt HR 7 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0537 m.b.t. het niet van toepassing zijn van de artt. 51a, 51b en 36f Sr op strafbare feiten die zijn begaan vóór het tijdstip van iwtr daarvan i.c. op 1 april 1995. De HR herhaalt voorts HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8798, m.b.t het niet in stand kunnen blijven van de betreffende uitspraak v.zv. daarbij de vordering van de beledigde partij is toegewezen tot een bedrag van meer dan € 680,67 (f 1.500,-) zijnde het toentertijd ex art. 56 (oud) RO ten hoogste toegestane bedrag van de door de beledigde partij te vorderen schadevergoeding, en v.zv. daarbij ex art. 36f Sr aan verdachte een betalingsverplichting is opgelegd.HR doet de zaak wat betreft de vordering van de beledigde partij en de opgelegde svma zelf af en verwerpt het beroep voor het overige.
De uitspraak op rechtspraak.nl