HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1556

1. Smaadschrift. Tll. van “bepaalde feiten” a.b.i. art. 261 Sr. 2. Voorwaardelijke veroordeling met algemene voorwaarde, wijziging van art. 14c Sr. Ad 1. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BI1171. Het oordeel van het Hof dat verdachte de eer en de goede naam van X heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. De Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen bevat geen relevante overgangsbepaling voor de regeling van art. 14c Sr. Toepassing van de gewijzigde sanctieregeling werkt i.c. niet ten gunste van verdachte, zodat geen sprake is van een verandering in de wetgeving a.b.i. art. 1.2 Sr. Gelet daarop heeft het Hof ten onrechte toepassing gegeven aan art. 14c Sr zoals die bepaling na 1 oktober 2010 is komen te luiden. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu ook het t.t.v. het tlgd. geldende recht (in art. 14c.2ahf.5° Sr) de mogelijkheid opende aan een voorwaardelijke veroordeling a.b.i. art. 14a Sr de (bijzondere) voorwaarde te verbinden dat verdachte medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs a.b.i. art. 1 van de Wet op de identificatieplicht aanbiedt. Verdachte heeft daarom onvoldoende belang bij een vernietiging van de bestreden uitspraak op dit punt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken