HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9346

1. Regiezitting en voorlopige beslissing. 2. Art. 322.4 Sv. Ad 1. De wetgever heeft onmiskenbaar voor ogen gehad dat op een zgn. regiezitting, dus voorafgaand aan de ttz(en) waarop de zaak inhoudelijk zal worden behandeld, een definitieve beslissing wordt gegeven op verzoeken van de verdediging tot het doen oproepen van getuigen en deskundigen. Als de rechter op die regiezitting over onvoldoende gegevens meent te beschikken, ligt het niet in de rede dat niettemin toch hij in voorlopige zin een dergelijk verzoek afwijst. Nog daargelaten dat de wet een zodanige voorlopige beslissing niet kent, verdient het de voorkeur dat de rechter in een dergelijk geval de beslissing op het verzoek aanhoudt. Het Hof heeft overwogen “voorshands” van oordeel te zijn dat het verzoek tot het horen van getuigen diende te worden afgewezen. Nu niet blijkt dat het Hof een nadere beslissing op het verzoek heeft gegeven of dat het verzoek alsnog door of namens verdachte met zoveel woorden is ingetrokken, moet de voorlopige beslissing niettemin worden beschouwd als de (definitieve) beslissing op het verzoek. Ad 2. Bij de wetswijziging horen getuigen (zie hieromtrent ook HR 19 juni 2007, LJN AZ1702) is een vierde lid aan art. 322 Sv toegevoegd, waardoor beslissingen a.b.i. art. 287 of 288 Sv, inzake het horen of de oproeping van getuigen en deskundigen, in stand blijven, ook in het geval dat het onderzoek ttz opnieuw wordt aangevangen. Dit brengt mee dat i.c. in cassatie kan worden geklaagd over de afwijzing van een verzoek tot het horen van een getuige of deskundige.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen