HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5645
Profijtontneming. Het oordeel van het Hof dat uit de omstandigheid dat de veroordeelde enig aandeelhouder en bestuurder is volgt dat het "in totaal met deze onderneming (...) genoten" voordeel aan veroordeelde toegerekend kan worden, kan geen stand houden. Voor zover het Hof ervan is uitgegaan dat het vermogen van een rechtspersoon steeds te vereenzelvigen valt met het vermogen van haar bestuurder/enig aandeelhouder, getuigt het oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het Hof heeft onderkend dat de rechtspersoon een eigen, afgescheiden vermogen heeft doch aannemelijk heeft geacht dat de veroordeeld desalniettemin zonder meer en tot het volledige bedrag kan beschikken dat als resultaat van de bedrijfsvoering in het vermogen van de rechtspersoon is gevloeid is dat oordeel zonder nadere motivering niet begrijpelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl