HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0070

1. Ongeoorloofde pseudoverkoop? 2. Tallon-criterium. Ad 1. Bedrijf levert met medeweten van het OM paracetamol en cafeïne aan een persoon, verdacht van het misdrijf a.b.i. art. 10a Opw. Voor een dergelijke wijze van bijstand aan de opsporing die werd uitgevoerd door personen zonder opsporingsbevoegdheid bestaat geen specifieke wettelijke grondslag. Blijkens de wetsgeschiedenis van de wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Stb. 1999, 245), zoals weergegeven onder 8 van de CAG en (deels) geciteerd in de overwegingen van het Hof, ligt aan het Wetboek van Sv de gedachte ten grondslag dat opsporingsmethoden die zeer risicovol zijn voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing, dan wel die een inbreuk maken op grondrechten en vrijheden van burgers een voldoende specifieke wettelijke basis behoeven in de wet. Daarmee hangt samen dat, zoals door de wetgever eveneens onder ogen is gezien, de regeling van opsporingsmethoden niet uitputtend behoeft te zijn. Gelet hierop moet voor een niet specifiek in de wet geregelde wijze van opsporing als in deze zaak aan de orde, worden aangenomen dat de opsporingsautoriteiten alleen bevoegd zijn haar in te zetten indien zij geen disproportionele inbreuk maakt op grondrechten van burgers en de levering van goederen niet zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing. Bij de beoordeling daarvan is van belang dat bij levering van niet-illegale stoffen zich in veel mindere mate het gevaar kan voordoen dat de wetgever in het bijzonder heeft willen vermijden ten aanzien van pseudo-verkoop, namelijk dat niet of slechts moeizaam kan worden aangetoond dat het Tallon-criterium is nageleefd. Dat gevaar kan zich bij uitstek realiseren indien het voorhanden hebben van en/of leveren van de verkochte goederen op zichzelf reeds strafbaar is, zoals bij drugs en wapens doorgaans het geval is. Tevens is van belang of het opsporingshandelen is vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen de OvJ en de niet-opsporingsambtenaar opdat dit handelen doorzichtig gemaakt wordt en toetsbaar is. De door het Hof vastgestelde feiten bieden geen toereikende grondslag voor het oordeel dat het bedrijf strafbaar heeft gehandeld bij de verkoop van de in de bewezenverklaring bedoelde paracetamol en cafeïne. Daarbij verdient aantekening dat deze stoffen in het gewone handelsverkeer legaal kunnen worden overgedragen. Dat het voorhanden hebben van deze stoffen onder omstandigheden kan worden aangemerkt als voorbereidingshandeling in de zin van art. 10a.1 aanhef en onder 3º, Opw indien bijvoorbeeld het opzet bestaat deze stoffen als versnijdingsmiddel te gebruiken bij de productie van voor de handel bestemde harddrugs, regardeert het bedrijf niet. Bij haar ontbrak, blijkens het door haar inschakelen van de politie, nu juist de voor strafbaar handelen vereiste vorm van schuld of opzet. Ad 2. Het Hof heeft geoordeeld dat verdachte reeds voorafgaand aan het moment waarop de medewerker van het bedrijf telefonisch contact opnam met de persoon die zich uitgaf voor X van de firma Y het opzet had op het kopen van paracetamol en cafeïne en dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte door het optreden van het bedrijf is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat verdachte of diens medeverdachte deze stoffen in ongeveer dezelfde hoeveelheden eerder uit eigen beweging bij het bedrijf hadden besteld en gekocht en verdachte later opnieuw heeft getracht deze stoffen te bestellen en, na door een medewerker van het bedrijf te zijn gevraagd of hij nog belangstelling had, zelf heeft teruggebeld. Het Tallon-criterium is derhalve niet geschonden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen