HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:477

1. Verhoorprotocol. 2. Verwerping verweer n-o OM c.q. bewijsuitsluiting van de met toepassing van het verhoorprotocol verkregen aangiften. Ad 1. De opvatting van het middel dat de in het onderhavige verhoorprotocol neergelegde methode niet mag worden toegepast zonder dat daarvoor een specifieke wettelijke grondslag bestaat is niet juist. In de overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat de enkele toepassing van de in dit protocol vervatte methode van inzet van de dominee en de ervaringsdeskundige (bij het voorafgaand aan het verhoor door de politie voeren van gesprekken met vermeende slachtoffers van mensenhandel) geen disproportionele inbreuk maakt op grondrechten van verdachte en niet zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BP0070). Ad 2. Het oordeel van het Hof dat het OM ernstig is tekortgeschoten in de controle op de uitvoering van het verhoorprotocol, maar dat deze tekortkomingen niet van zodanige aard zijn dat de conclusie gerechtvaardigd is dat sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde waarmee doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekort gedaan, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het oordeel van het Hof dat in de gang van zaken m.b.t. de ontwikkeling van het verhoorprotocol en de toepassing van de daarin vervatte methode van inzet van de dominee en de ervaringsdeskundige geen aanleiding ziet om de verklaringen van de vermeende slachtoffers die met gebruik van deze methode zijn gehoord integraal uit te sluiten van het bewijs, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken