HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2774

OM-cassatie. 1. Afkomstig uit enig misdrijf i.d.z.v. de witwasbepalingen. 2. Art. 359.2 Sv Ad 1. De tekst van de wet stelt geen beperkingen aan de reikwijdte van de witwasbepalingen en uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever niet heeft beoogd andere beperkingen aan te leggen wat betreft het gronddelict waaruit het voorwerp van de witwashandelingen afkomstig is, dan dat het moet gaan om een misdrijf. Aan de vrijspraak van verdachte, heeft het Hof kennelijk ten grondslag gelegd dat vermogensbestanddelen waarover men de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken, niet kunnen worden aangemerkt als voorwerpen "afkomstig (...) van enig misdrijf" i.d.z.v. de art. 420bis en 420quater Sr. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Die vermogensbestanddelen kunnen in zoverre worden aangemerkt als van misdrijf afkomstig i.d.z.v. voormelde bepalingen. Ad 2. Vooropgesteld wordt dat het OM, wil het ingenomen standpunt de - uiteindelijk in cassatie te toetsen - verplichting tot beantwoording scheppen, zijn standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren dient te brengen (vgl. HR LJN AU9130). In dat verband komt geen zelfstandige betekenis toe aan de enkele stelling van de AG dat hij het eens is met het requisitoir in 1e aanleg en dat hij verzoekt de inhoud daarvan als ingelast te beschouwen (vgl. HR NJ 1999, 60 en HR LJN AD8914).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen