HR 1 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9545
WOTS-zaak. Art. 6 EVRM. Vooropgesteld wordt dat de exequaturrechter bij zijn beslissing dient uit te gaan van de juistheid van de veroordeling door de buitenlandse rechter zowel wat betreft haar inhoud als haar wijze van totstandkoming. Dit kan slechts anders zijn als komt vast te staan dat bij de totstandkoming van die veroordeling sprake is geweest van een flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging. Het oordeel van de Rb i.c. dat daarvan geen sprake is onjuist, noch onbegrijpelijk. Anders dan is betoogd, is de tul van het arrest van het Hof van Assisen i.c. niet ontoelaatbaar wegens strijd met de NL openbare orde. Ook de verwerping door de Rb van de stelling dat i.c. geen sprake is van een eerlijk WOTS-proces – omdat a.g.v. het ontbreken van een bewijsmotivering in het arrest van het Hof van Assisen, veroordeelde het recht op een eerlijke behandeling van haar zaak is onthouden – geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
De uitspraak op rechtspraak.nl