HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5825
Strafrechtelijke vervolging van ontbonden rechtspersoon. HR herhaalt de relevante overwegingen van HR LJN AE0553 tav het moment waarop het recht tot strafvordering vervalt als een einde is gekomen aan het bestaan van een rechtspersoon of met een rechtspersoon gelijkgestelde entiteit. De ontnemingsprocedure moet worden beschouwd in samenhang met de vervolging in de hoofdzaak (vgl. HR LJN ZD1636). De vervolging vangt aan op het moment dat het OM de strafrechter betrekt in een zaak, bijv. door het doen van de vordering tot het verlenen van een machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (s.f.o.) a.b.i. art. 126 Sv. Het Hof heeft geoordeeld dat het OM ontvankelijk is in zijn ontnemingsvordering en heeft tot uitdrukking gebracht dat het recht tot strafvordering tegen betrokkene niet aan het OM is komen te ontvallen omdat de strafvervolging is aangevangen ruim vóór de datum waarop volgens opgave van de Kamer van Koophandel betrokkene is ontbonden. Dat oordeel is, gelet het voorgaande, juist en niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat tot de stukken behoren een vordering van de OvJ tot het verlenen van een machtiging door de RC tot het instellen van een s.f.o. tegen betrokkene a.b.i. art. 126.3 Sv en een op deze vordering verleende machtiging daartoe van de RC, beide gedateerd bijna 3 jaar vóór de datum van ontbinding. Aan dat oordeel doet niet af dat betrokkene mogelijkerwijs ingevolge art. 2:19.4 BW in civielrechtelijke zin is opgehouden te bestaan omdat zij op het tijdstip van ontbinding geen baten meer had.
De uitspraak op rechtspraak.nl