HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4724
Profijtontneming. Vermogensvergelijking. 1. Verzoek tot horen van getuigen ivm schatting wederrechtelijk verkregen voordeel dmv vermogensvergelijking. 2. Geen toepassing vervangende hechtenis voor feiten gepleegd voor 1-3-1993 ivm invoering lijfsdwang per 1-9-2003. ook niet ogv art. 7 EVRM. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 2003, 96 en HR NJ 2003, 97) tav de schatting van wederrechtelijk verkregen voordeel dmv vermogensvergelijking en het horen van getuigen in een ontnemingsprocedure. Het OM heeft gesteld dat het beginvermogen (gesteld op datum 1-3-1989) op nihil moet worden gesteld. De verdediging heeft dat betwist en met het oog daarop, in appel verzocht om 6 getuigen te horen. Het hof heeft die verzoeken afgewezen mede ogv het argument dat de verzoeken onvoldoende concreet zijn onderbouwd. Dat oordeel is onjuist, noch onbegrijpelijk en draagt de afwijzing zelfstandig. Het uitgangspunt dat in het kader van een redelijke bewijslastverdeling van betrokkene mocht worden gevergd dat hij concreet en gemotiveerd zou aanvoeren dat en waarom de aannames en/of berekeningsmethoden die door het OM zijn gehanteerd t.a.v. de omvang van het beginvermogen naar zijn mening onjuist zijn, waarin ligt besloten dat het hof voorshands is uitgegaan van de aannemelijkheid van de door het OM o.g.v. de financiële rapportage bij de schatting gehanteerde gegevens en berekeningswijzen, is onjuist noch onbegrijpelijk. Ad 2. HR herhaalt relevante overweging uit HR NJ 2004, 573 mbt overgangsbepalingen bij invoering van lijfsdwang (art. 577c Sv) ipv vervangende hechtenis, in geval volledige betaling noch verhaal mogelijk is van ontnemingsbedrag. Art. 577c Sv, dat wordt beheerst door art. 1 Sv, heeft in beginsel onmiddellijke werking en is i.c. van toepassing tenzij het overgangsrecht daarop een uitzondering maakt. Dat is niet het geval voor ontnemingszaken t.z.v. feiten gepleegd vóór 1-9-1993, zoals i.c. en ook de wetsgeschiedenis biedt daarvoor geen aanknopingspunt. Het vervallen van de vervangende hechtenis moet worden aangemerkt als verandering in de wetgeving a.b.i. art. 1.2 Sr. Het na 1-9-2003 geldende recht moet als gunstiger voor betrokkene worden aangemerkt, aangezien het bevel tot toepassing van vervangende hechtenis niet meer kan worden gegeven. Aan art. 1 Sr kan dus niet worden ontleend dat de voordien geldende regeling van vervangende hechtenis, moet worden toegepast. Ook art. 7 EVRM vergt niet dat het vóór 1-3-1993 geldende recht van toepassing is gebleven nu het niet opleggen van vervangende hechtenis niet in strijd kan komen met de eis van art. 7.1 EVRM dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan die, die t.t.v. het strafbare feit van toepassing was. Het hof heeft daarom terecht niet in zijn arrest opgenomen dat vervangende hechtenis zal volgen bij gebreke van betaling of verhaal. Met dat oordeel wordt volstaan, nu de toepassing van lijfsdwang eerst aan de orde komt als ex art. 577c Sv een vordering tot verlof tot tul van lijfsdwang is ingesteld. Of deze lijfsdwang als “straf” i.d.z.v. art. 7.1 EVRM moet worden aangemerkt kan thans in het midden blijven.
De uitspraak op rechtspraak.nl