HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9670
1. Geen détournement de pouvoir: toepassen controlebevoegdheid art. 160 WVW 1994 bij verdenking. 2. Misbruik controlebevoegdheid art. 160 WVW 1994 zou ex art. 359a Sv niet leiden tot niet-ontvankelijkheid OM. Ad 1. Het hof heeft verzuimd gemotiveerd te beslissen op het verweer dat de opsporingsambtenaren hun controlebevoegdheid ex art. 160 WVW 1994 hebben gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend. Dat behoeft niet tot cassatie te leiden, nu het hof het verweer slechts kon verwerpen. Het bestaan van een redelijk vermoeden dat iemand zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, staat niet in de weg aan het uitoefenen van controlebevoegdheden door politieambtenaren, mits daarbij tegenover verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen (HR NJ 1989, 390; HR NJ 1998, 481). Het hof heeft - niet onbegrijpelijk - geoordeeld dat de politie o.g.v. de WVW 1994 bevoegd was om het stopteken te geven en verdachte, als bestuurster van de auto, naar haar rijbewijs te vragen. In dat oordeel ligt besloten dat de betrokken politieambtenaren deze bevoegdheid - in ieder geval mede - hebben uitgeoefend om zich te vergewissen van de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 vastgestelde voorschriften a.b.i. art. 160.4 WVW 1994. Aan de rechtmatigheid van de uitoefening van deze controlebevoegdheid kan de enkele omstandigheid dat die bevoegdheid is aangewend n.a.v. informatie die zou kunnen wijzen op betrokkenheid van een of meer inzittenden bij enig strafbaar feit, niet afdoen. Ook indien deze stelling juist zou zijn, kan daaruit immers niet worden afgeleid dat de controlebevoegdheid uitsluitend is gebruikt voor een ander doel, te weten: voor het verrichten van opsporingshandelingen, dan waarvoor deze is verleend. Ad 2. De niet-ontvankelijkverklaring van het OM als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg komt slechts in uitzonderlijk gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan (HR NJ 2004, 376). De enkele stelling dat de politieambtenaren van hun controlebevoegdheid ex art. 160 WVW 1994 misbruik hebben gemaakt door die bevoegdheid aan te wenden teneinde strafbare feiten vermeld in het WvSr op te sporen, kan niet de gevolgtrekking wettigen dat van een zodanig ernstige inbreuk op beginselen van een goede procesorde sprake is i.d.z.v. voormeld arrest, dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl