Conclusie A-G Spronken 19 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:494
Conclusie AG. Détournement de pouvoir. Art. 359a Sv. Tweede cassatieronde. Bevoegdheid verbalisanten op grond van art. 5:19 Awb jo. art. 2:44 APV Soest (verbod van het aanwezig hebben van inbrekerswerktuig) tot het doen stilhouden en controleren van een voertuig en het vragen naar bescheiden indien uitsluitend sprake is van opsporing ex art. 132a Sv. Volgens de AG getuigt het oordeel van het hof dat de opsporingsambtenaren op grond van art. 5:19 Awb bevoegd waren i.c. van een onjuiste rechtsopvatting, omdat ex art. 1:6 aanhef en onder a Awb de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 Awb niet van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten zodat art. 5:19 Awb geen grondslag kan bieden voor het toepassen van de in die bepaling neergelegde bevoegdheden (zie HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:487). De AG adviseert de Hoge Raad dat de gegrondheid van het middel tot cassatie moet leiden omdat het gevoerde niet-ontvankelijkheids- en bewijsuitsluitingsverweer is onderbouwd overeenkomstig art. 359a lid 2 Sv en niet kan worden aangenomen dat het hof, zonder nader onderzoek, het verweer slechts had kunnen verwerpen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1079
- HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:487
- HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3123
- HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015
- HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219
- HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:706
- HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2454
- Hof Amsterdam 21 december 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5307
- HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496
- HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321
- HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9670
- HR, ECLI:NL:HR:2013:BY5231