Conclusie A-G Machielse 6 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:354
Deelname door Franse opsporingsambtenaar aan verkeerscontrole in NL onrechtmatig? Art. 17 EU-Besluit 2008/615/JBZ. De aan de middelen ten grondslag liggende opvatting dat voor beoordeling van de rechtmatigheid van het gezamenlijke optreden van Nederlandse en Franse opsporingsambtenaren bepalend is dat daarvoor een grondslag in het Besluit kan worden gevonden, is te beperkt en daarom onjuist. Het Besluit vormt – mede gelet op het bepaalde in art. 35.2 Besluit – op zichzelf geen beletsel voor vormen van samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van verschillende staten die geen grondslag vinden in het Besluit. V.zv. de middelen berusten op de opvatting dat de rechtmatigheid van het gezamenlijke optreden van de Nederlandse en Franse opsporingsambtenaren dient te geschieden o.b.v. het bepaalde in art. 17.2 Besluit, wordt voorts miskend dat deze bepaling geen belangen van de verdachte beoogt te beschermen, maar belangen van de staat op het grondgebied waarvan buitenlandse opsporingsambtenaren optreden. Bovendien is i.c. niet aangevoerd of anderszins gebleken dat het optreden van de Franse opsporingsambtenaar niet berustte op toestemming van de Nederlandse autoriteiten. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl