HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559
Vordering benadeelde partij. 1. Verrekening tegenvordering, vordering in reconventie. 2. Motivering. 3. Wettelijke rente. Ad 1. Aangezien de ten laste van verdachte bewezenverklaarde oplichting opzet impliceert, had verdachte niet de bevoegdheid tot verrekening van een tegenvordering met de te vergoeden schade. Het Hof heeft het verweer in zoverre terecht verworpen. Vzv. tevens wordt bedoeld te klagen over 's Hofs oordeel dat verdachte ook geen vordering in reconventie kan instellen, miskent het dat een vordering bp, hoezeer ook in materiële zin van civielrechtelijke aard, in procesrechtelijke zin is ingebed in het strafrecht. In het WvSv is niet voorzien in een vordering in reconventie. Ad 2. Art. 359.2 Sv heeft niet het oog op een omtrent de vordering bp ingenomen standpunt. Art. 361.4 Sv houdt in dat de beslissing over de vordering bp met redenen moet worden omkleed maar i.c. was het Hof niet tot nadere motivering gehouden aangezien zijn beslissing voortvloeit uit de wet. Ad 3. Die onrechtmatige gedraging van verdachte heeft ingevolge de aangehaalde wettelijke bepalingen tot gevolg dat verdachte schadeplichtig is jegens de bp en dat hij zonder ingebrekestelling de wettelijke rente over het schadebedrag verschuldigd is vanaf het moment dat de schade is ingetreden.
De uitspraak op rechtspraak.nl