HR 13 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5834
Door een feitelijkheid wederrechtelijk dwingen ex art. 284 Sr. 1. De bewijsmiddelen houden in dat verdachte gebruik heeft gemaakt van zijn positie van militaire meerdere tegenover het slachtoffer als ondergeschikte, dat hij het slachtoffer naar een niet voor hem (het slachtoffer), maar voor anderen bestemde kamer in het legeringsgebouw heeft gevoerd en dat hij het slachtoffer in samenwerking met anderen heeft blootgesteld aan seksueel getinte vernederingen. Onder die omstandigheden heeft het hof kunnen oordelen dat sprake was van wederrechtelijk handelen van verdachte. 2. Het in art. 284.1.1 Sr in het bestanddeel dwingen besloten liggende opzetvereiste heeft ook betrekking op de wederrechtelijkheid van de gedraging. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat het opzet van verdachte in elk geval in voorwaardelijke vorm was gericht op de wederrechtelijkheid van zijn gedraging. 3. Uit ‘s hofs gemotiveerde oordeel m.b.t. de wederrechtelijkheid en het opzet daarop vloeit voort dat het hof het verweer dat verdachte verschoonbaar heeft gedwaald terecht heeft verworpen, wat er zij van de daartoe door het hof gegeven motivering. 4. Van door een feitelijkheid wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden ex art. 284 Sr kan slechts sprake zijn indien verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer iets heeft gedaan, niet gedaan of geduld. Het hof heeft geoordeeld dat de gedragingen van verdachte en zijn mededader jegens het slachtoffer voor deze een zodanige psychische druk opleverden dat hij hieraan geen weerstand kon bieden en zich gedwongen voelde te voldoen aan hetgeen van hem werd verlangd. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is evenmin onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het slachtoffer zich in een militaire gezagsverhouding bevond van een ondergeschikte tegenover een meerdere, dat hij door verdachte naar een niet voor hem, maar voor anderen bestemde kamer in het legeringsgebouw werd gevoerd en dat hij zich aldaar geplaatst zag tegenover vier anderen die de vrije hand hadden gekregen in de bejegening van hem.
De uitspraak op rechtspraak.nl