HR 16 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1451

1. De uitoefening van de bevoegdheid ex 414.1, 2e volzin (oud) Sv is onderworpen aan de eisen voortvloeiend uit de beginselen van behoorlijk procesrecht. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. 's Hofs oordeel dat []in de gegeven omstandigheden[] de overlegging van het bewijsmateriaal ter nadere ondersteuning van het tenlastegelegde, in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. 2. Een gefaxt verzoek tot oproeping van een getuige is geen verzoek ex art. 263, eerste volzin (oud) Sv. 3. Niet onbegrijpelijk oordeel dat door de Engelse startinformatie een redelijk vermoeden van schuld is ontstaan op basis waarvan in Nederland een opsporingsonderzoek is gestart en dat de Nederlandse autoriteiten geen reden hadden te twijfelen aan de rechtmatige verkrijging van die informatie. Nu de Nederlandse autoriteiten op de startinformatie mochten afgaan en een opsporingsonderzoek in Nederland mocht worden ingesteld en nu, ook al zou later blijken dat aan de startinformatie een gebrek kleeft, zulks op zich niet tot niet- ontvankelijkheid van de Officier van Justitie kan leiden, terwijl die informatie geen voor bewijs gebruikt materiaal bevat, is het verweer inz. niet-ontvankelijkheid en bewijsuitsluiting en het verzoek tot nader onderzoek inzake de startinformatie, op toereikende grond verworpen. 4. De keuze van factoren die van belang zijn voor de strafoplegging, is voorbehouden aan de feitenrechter. Het enkele feit dat de rechter geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat verdachte wellicht zijn gehele detentie in een extra beveiligde inrichting zal moeten doorbrengen, maakt de strafoplegging niet ontoereikend gemotiveerd, reeds omdat het een omstandigheid is die niet zeker is. Samenvatting: Beroepen verworpen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen