Conclusie A-G IJzerman 28 september 2020, ECLI:NL:PHR:2020:857
A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of de per aangetekende post aan het Poolse adres van belanghebbende verzonden aanslag geacht kan worden aldaar ordelijk bekend te zijn gemaakt. Overschrijding van de driejaarstermijn voor oplegging van een aanslag? Heeft belanghebbende zijn fiscale woonplaats in Nederland behouden? Opname van contant geld en winstuitdeling. Het gaat om het beroep in cassatie van [X], belanghebbende, tegen de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3655. Belanghebbende is volgens zijn opgave aan het Bevolkingsregister geëmigreerd naar Polen. Hij heeft via een Poolse vennootschap overeenkomsten gesloten met Nederlandse tuinders waarin is bepaald dat de vennootschap toekomstige oogsten van Nederlandse tuinders zal opkopen, die oogsten in het oogstseizoen met Poolse landarbeiders van het land zal halen en de gerealiseerde oogst zal aanbieden op de veiling in Nederland. Belanghebbende verricht zijn werkzaamheden ten behoeve van de Poolse vennootschap namens zijn Nederlandse B.V. In 1997 heeft belanghebbende meegedeeld dat zijn bij de Inspecteur geregistreerde (Poolse) adres onjuist was en dit gecorrigeerd in een ander (nieuw) adres: het Poolse adres. De Inspecteur heeft met dagtekening 31 december 2001 de aanslag IB/PVV 1998 naar een (aanzienlijk verhoogd) belastbaar inkomen van f 450.306 vastgesteld. De Inspecteur heeft uiteengezet de aanslag op 11 december 2001 per aangetekende post te hebben verzonden aan belanghebbende op het Poolse adres. Deze aangetekende zending is onbestelbaar en met ongeopende envelop door de Inspecteur retour ontvangen. Belanghebbende stelt de aan hem, bij aantekende brief van 11 december 2001, op zijn Poolse adres gezonden aanslag niet te hebben ontvangen, noch daarvan anderszins kennis te hebben verkregen in december 2001. Daarvan uitgaande stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de aanslag over 1998 is opgelegd buiten de driejaarstermijn van artikel 11, derde lid van de AWR, zodat die aanslag dient te worden vernietigd. In dit kader speelt de voorvraag of belanghebbende tijdig een bezwaarschrift tegen die aanslag heeft ingediend, zodat zijn bezwaar ontvankelijk is. Alleen dan kan worden toegekomen aan de inhoudelijke vraag of belanghebbende terecht een beroep heeft gedaan op nietigheid wegens termijnoverschrijding. Het Hof heeft geoordeeld dat sprake is van termijnoverschrijding, maar dat die verschoonbaar is. Het Hof heeft daartoe overwogen dat gezien de omstandigheid dat de Inspecteur het aangetekend verzonden aanslagbiljet onbestelbaar en met ongeopende envelop retour heeft ontvangen, het op zijn weg lag navraag over de postbezorging te doen en eventueel stappen te ondernemen om de aanslag alsnog ter kennis van belanghebbende te brengen. Vaststaat dat de Inspecteur geen navraag heeft gedaan. De Inspecteur heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Verder heeft het Hof geoordeeld dat de aanslag IB/PVV 1998 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt op 11 december 2001 door toezending aan het juiste adres (het Poolse adres), zodat deze binnen de aanslagtermijn is opgelegd. Inhoudelijk heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende een voldoende sterke band met Nederland had om te oordelen dat hij in het jaar 1998 in Nederland woonde. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende contante gelden heeft opgenomen van een rekening van de Poolse vennootschap, waarvan ten gunste van hemzelf een bedrag van f 424.565, belast als inkomen uit aanmerkelijk belang. Belanghebbende komt thans in cassatie op tegen de hiervoor vermelde oordelen van het Hof. De Staatsecretaris heeft voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De A-G meent dat alleen het eerste middel van belanghebbende slaagt voor zover erover wordt geklaagd dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanslag IB/PVV 1998 op de voorgeschreven wijze aan hem bekend is gemaakt in december 2001, zodat de aanslag binnen de aanslagtermijn van drie jaren is vastgesteld. Het gaat in casu om een aangetekende zending gericht aan het juiste adres en aldaar aangeboden. Echter, er was niemand thuis en de postbode heeft het stuk mee terug genomen. Het Hof heeft vastgesteld dat de Inspecteur geen navraag heeft gedaan of de postbode een kennisgeving van de aangetekende zending met een afhaalbericht van het postkantoor heeft achtergelaten. Volgens de A-G moet verwijzing plaatsvinden om nader uit te zoeken en te beoordelen of het besluit tot aanslagoplegging ordelijk bekend is gemaakt. Zo niet, dan acht de A-G het mogelijk dat driejaarstermijn voor oplegging van de aanslag is overschreden.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 172 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 178 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 4 AWR
- Artikel 5 AWR
- Artikel 11 AWR
- Artikel 22j AWR
- Artikel 25 AWR
- Artikel 67a AWR
- Artikel 2 AKW
- Artikel 3 AKW
- Artikel 31 AKW
- Artikel 8 IW
- Artikel 28 IW
- Artikel 49 IW
- Artikel 3:40 Awb
- Artikel 3:41 Awb
- Artikel 6:7 Awb
- Artikel 6:8 Awb
- Artikel 6:9 Awb
- Artikel 6:11 Awb
Aangehaalde uitspraken
- HR 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:202
- HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1786
- HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1439
- Hof 's-Hertogenbosch 3 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3655
- HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102
- Conclusie A-G IJzerman 14 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:506
- HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1850
- CRvB 10 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3510
- HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:539
- CRvB 25 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4046
- EHRM 15 maart 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0315JUD003996609
- ABRvS 13 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:7
- CBb 12 januari 2016, ECLI:NL:CBB:2016:16
- HR 25 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2798
- Rb. Zeeland-West-Brabant 24 augustus 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:5631
- HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1775
- HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1366
- HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960
- HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:911
- ABRvS 24 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3524