HR 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD6926

Belastingfraude. Opzettelijk in zijn aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen een te laag belastbaar inkomen opgeven door bestuurder van Liechtensteinse Anstalt (meermalen gepleegd), art. 69 AWR. 1. Mocht hof ttz. in e.a. afgelegde verklaring van verdachte tot bewijs bezigen, nu verdachte ttz. in h.b. heeft verklaard dat herroeping van eerdere verklaring is ingegeven door gewijzigd inzicht in strafbaarheid van zijn handelwijze? 2. Is verdachte belastingplichtig, nu vraag of Anstalt in fiscaalrechtelijke zin transparant is niet moet worden beoordeeld naar Nederlands recht maar naar recht van Liechtenstein? Ad 1. Geen wettelijk voorschrift verbiedt rechter voor bewijs gebruik te maken van verklaring van verdachte, indien deze verklaring afwijkt van zijn latere verklaring ttz. Hof heeft verweren die ertoe strekken dat verdachte alles heeft aangegeven waartoe hij wettelijk verplicht was, verworpen, waaruit volgt dat Hof uitleg, die verdachte heeft gegeven voor afleggen en nadien weer herroepen van zijn bekennende verklaring, niet als juist heeft aanvaard. Het stond Hof vrij bekennende verklaring tot bewijs te bezigen zonder daarvan verantwoording af te leggen. Ad 2. Ex art. 1 Wet IB wordt directe belasting geheven waaraan o.m. natuurlijke personen die in Nederland wonen zijn onderworpen. Hof heeft vastgesteld dat verdachte in Nederland woont en derhalve binnenlandse belastingplichtige is. Bij bepaling van het op te geven bedrag aan belastbaar inkomen a.b.i. art. 3 Wet IB is "onzuiver inkomen" (als nader omschreven in art. 4 Wet IB) het uitgangspunt. Onzuiver inkomen bestaat volgens die bepaling uit gezamenlijk bedrag van hetgeen belastingplichtige geniet als o.m. zuivere inkomsten uit vermogen. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar gelang die inkomsten binnen dan wel buiten Nederland zijn genoten. Hieruit volgt dat bij het doen van aangifte voor inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen naar in Nederlands belastingrecht ontwikkelde maatstaven bepaald moet worden of, en zo ja tot welke bedragen, binnenlandse belastingplichtige inkomsten uit vermogen heeft genoten. Dit geldt ook v.zv. belastingplichtige over het in stichting aanwezige vermogen kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen, zodat overeenkomstig HR BNB 1986/16 het in die stichting aanwezige vermogen voor heffing van inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen moet worden behandeld als ware het vermogen van die belastingplichtige zelf. ’s Hofs oordeel dat voor toepassing van rechtsregel uit voornoemd arrest Anstalt op één lijn moet worden gesteld met stichting, berust op uitleg van diens statuten in samenhang met recht van Liechtenstein. Deze uitleg, die enerzijds van feitelijke aard is en anderzijds recht van vreemde staat betreft, is niet onbegrijpelijk en kan (mede gelet op art. 99.1.2 RO) in cassatie niet verder worden getoetst. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl