HR 8 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1239

OM-cassatie. Schending van beginselen van behoorlijke procesorde, nu OvJ aan CID rechercheurs heeft opgedragen tijdens hun verhoor als getuigen bij RC en ter zitting bepaalde vragen niet te beantwoorden? Hof heeft OM n-o verklaard in vervolging t.z.v. serie ramkraken op de grond dat met het oog op eerlijk proces ontoelaatbaar is dat OvJ en niet rechter beslist welke vragen door getuigen ter zitting beantwoord dienen te worden. Wettelijk stelsel brengt mee dat (i) degene die bij RC dan wel ttz. als getuige wordt gehoord gehouden is op alle hem gestelde vragen te antwoorden, behoudens v.zv. hem recht toekomt zich te verschonen en hij op dat recht beroep doet (vgl. art. 217 tot en met 219a, 221.1 en 294.1 Sv en art. 192 Sr), (ii) rechter vragen kan stellen die hem dienstig voorkomen en (iii) het aan hem is voorbehouden ambtshalve of op vordering van OvJ of op verzoek van verdachte te beletten dat door getuige aan enige vraag, gesteld door verdachte of diens raadsman of OvJ, gevolg wordt gegeven (vgl. art. 293.1 Sv). Uit voorgaande volgt dat Hof terecht heeft geoordeeld dat OM in strijd met beginselen van behoorlijke procesorde heeft gehandeld door aan getuigen opdracht te geven bepaalde vragen onbeantwoord te laten. Hof heeft voorts geoordeeld dat door dit handelen met grove veronachtzaming van belangen van verdachte aan diens recht op eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan en dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van OM in zijn vervolging. Dit oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Hieraan doet niet af dat OvJ ttz. heeft aangeboden naam van CID-informant te noemen, nu hij daaraan als voorwaarde heeft verbonden dat PG hem daartoe opdracht zou geven. In aanmerking genomen dat oordeel over relevantie van vragen aan Hof is voorbehouden, noopte omstandigheid dat ‘’spreekverbod’’ slechts gold voor vragen die geen betrekking hadden op de aan verdachte tlgd. feiten, Hof niet tot nadere motivering. Hof heeft vastgesteld dat geen sprake was van informant wiens identiteit beschermd diende te worden, zodat klacht gericht tegen 's Hofs overweging ten overvloede m.b.t. geval dat daarvan wel sprake zou zijn geen bespreking behoeft. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen