Hof Arnhem-Leeuwarden 28 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7364

Het hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de ten laste gelegde feiten, omdat de waarheidsvinding door toedoen van het Openbaar Ministerie op verschillende manieren zodanig is belemmerd dat het Openbaar Ministerie tekort is geschoten in de bijdrage die het dient te leveren aan een eerlijk proces zoals dat is gewaarborgd in artikel 6 EVRM. Het nader onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep maakt niet dat de gemaakte inbreuk op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is gecompenseerd. Er is sprake van een zodanig ernstige onherstelbare inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijk behandeling van zijn zaak, dat geen sprake meer is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004411-17
Uitspraak d.d.: 28 november 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 1 augustus 2017 met parketnummer 18-950055-15 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
wonende te [adres 1] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 17 februari 2022, 13 oktober 2022, 22 en 24 maart 2023, 14 november 2023, 3, 6 en 10 juni 2024 en 16, 17, 20, 23, 24 september 2024 en 28 november 2024, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1, 3, 4 en 5 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van het voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden, mr. S. Schuurman en mr. D. Schaddelee, naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken, alsook van de onder 1 impliciet cumulatief tenlastegelegde betrokkenheid bij voorbereidingshandelingen in het kader van de in- en uitvoer van drugs en het onder 5 impliciet cumulatief tenlastegelegde voorhanden hebben van wapens.

Verdachte is ter zake van het onder 1, 3, 4 en 5 tenlastegelegde (kort gezegd: medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de exploitatie van een laboratorium voor het maken van amfetamine en/of MDMA, deelname aan een criminele organisatie, medeplegen van witwassen en overtreding van de Wet wapens en munitie) veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest.

Namens de verdachte is op 11 augustus 2017 tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hoger beroep staat voor de verdachte niet open tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde en de gedeeltelijke vrijspraken van het onder 1 en 5, zoals hiervoor genoemd. De verdachte zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze vrijspraken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep aan de orde – ten laste gelegd dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid amfetamine en/of MDMA, in elk geval een of meer middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- een of meer ander heeft getracht te bewegen om dat/die feit (en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of een of meer ander (en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit (en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen

voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had (den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/is hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens):

- afspraken gemaakt en/of ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd taalgebruik) telefoongesprekken en/of besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten gegeven aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen, om die amfetamine, althans dat/die middel (en) , te kopen en/of in ontvangst te nemen en/of betreffende de wijze waarop die amfetamine en/of die MDMA, althans dat/die middel (en) , zou (den) worden gekocht en/of geleverd en/of afgenomen

- een of meer mededaders en/of anderen benaderd en/of betaald en/of van geld en/of (andere) middelen voorzien om en/of die amfetamine, althans dat/die middel(en), in ontvangst te nemen en/of te vervoeren, en/of (andere) hand- en spandiensten verricht en/of

- een laboratorium/werkplaats bestemd voor de vervaardiging van amfetamine en/of MDMA geëxploiteerd en/of in werking gehad

(een en ander heeft betrekking op:

- ( ZD 1), 22 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne en/of

- ( ZD 2), 66 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne en/of

- ( ZD 3), 400 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne);

3.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, te [plaats] , althans in Nederland, (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie die bestond uit (onder meer) [medeverdachte 3] , [getuige] , [verdachte] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 4] ,

welke organisatie (telkens) tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- de misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet en/of

- het handelen in strijd met artikel 26 en/of 31 van de Wet wapens en munitie en/of

- het handelen in strijd met artikel 420bis en/of artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht;

4.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)

- A.

van een of meer voorwerpen, te weten

- een of meer geldbedragen ((onder andere) gebruikt voor financiering van im- en export van en handel in harddrugs, exploitatie drugslaboratorium, betaling geldboetes (voor een ander), aankoop een of meer auto's, sieraden, een of meer vakanties en/of levensonderhoud)

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel

- B.

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op de/het onder A genoemde voorwerp(en) was/waren en/of

- C.

heeft verborgen en/of verhuld wie de/het onder A genoemde voorwerp(en) voorhanden had (den) en/of

- D.

de/het onder A genoemde voorwerp (en) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet en/of van die/dat voorwerp (en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl verdachte en/of die mededader(s) (telkens) wist (en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat de/het onder A genoemde voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

hebbende verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van bovengenoemd witwassen een gewoonte gemaakt;

5.

hij op of omstreeks 18 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)

- een hoeveelheid munitie van categorie III, te weten een aantal patronen,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt verdediging

De verdediging heeft in hoger beroep om meerdere redenen primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet in de vervolging van de verdachte kan worden ontvangen. Daarbij is onder meer aangevoerd dat sprake is van vormverzuimen, waarbij de met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Door de schendingen kan niet meer worden gesproken van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. De waarheidsvinding is onmogelijk gemaakt door de schendingen.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat in de zaak Maggiora noch in het TBG-traject aangaande andere strafrechtelijke aangelegenheden sprake is van een ‘deal’, meer precies een overeenkomst of afspraak tussen het Openbaar Ministerie en [getuige] over het afleggen van verklaringen en over strafvermindering. Het verweer inhoudende dat er sprake is geweest van een ‘deal’ tussen [getuige] en het Openbaar Ministerie mist dan ook feitelijke grondslag. Er is wel sprake van andere vormverzuimen, namelijk het niet opmaken van processen-verbaal over het gesprek tussen [zaaksofficier] , [verbalisant onderzoeksleider] en [getuige] op 14 oktober 2015 en over het gunstbetoon aan [getuige] . Die vormverzuimen kunnen echter niet de verstrekkende conclusie dragen dat inbreuk wordt gemaakt op het recht op een eerlijk proces.

Het hof overweegt als volgt.

Om te kunnen beoordelen of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging, dient de vraag beantwoord te worden of sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.

In de onderhavige zaak is de beantwoording van deze vraag toegespitst op vragen over de inhoud van de contacten van [getuige] met het Openbaar Ministerie en dan met name of er daarbij toezeggingen aan [getuige] zijn gedaan en of, en zo ja in hoeverre, er dan sprake is geweest van belemmering van de waarheidsvinding.

Het hof zal ingaan op deze punten om zich tenslotte een oordeel te vormen over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging.

De overwegingen van het hof zijn, ten behoeve van de beantwoording van deze vragen, als volgt opgezet:

1 Inleiding: het procesverloop

1.1 Het politieonderzoek

1.2 Procesverloop in eerste aanleg

1.3 Procesverloop in hoger beroep
2. Over de aard van de contacten tussen [getuige] en het Openbaar Ministerie: Toezeggingen?

2.1 Contacten tussen het Openbaar Ministerie en [getuige] tot en met 14 oktober 2015

2.1.1 Activeren verklaringsbereid

2.2 Contacten tussen het Openbaar Ministerie en [getuige] na 14 oktober 2015

2.2.1 Voortdurende contacten tussen [getuige] en het Openbaar Ministerie en de invloed
daarvan op de waarheidsvinding

2.3 Tussenconclusie

3 Belemmering waarheidsvinding

3.1 Gebrek aan transparantie

3.1.1 Verbaliseringsplicht

3.1.2 Gunstbetoon

3.1.3 Transparantie en tijdsverloop

3.2 Hernummering

3.2.1 Vaststelling relevante feiten en omstandigheden

3.2.2 Oordeel hof

3.3 Tussenconclusie

4 Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

Praktische opmerkingen

Het hof zal voor de leesbaarheid van het arrest getuige [getuige] zoveel mogelijk aanduiden als ‘ [getuige] ’. Voor zover in citaten uit mutaties wordt gesproken over [getuige] of [getuige] wordt daarmee [getuige] bedoeld. [getuige] was verdachte in het onderzoek Maggiora waar deze strafzaak over gaat. Hij is in die zaak door de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar. [getuige] heeft het aanvankelijk ingestelde hoger beroep in zijn zaak naderhand ingetrokken.

Gedurende het opsporingsonderzoek in het onderzoek Maggiora heeft [getuige] ook in het kader van ander(e) lopende onderzoek(en) contacten gehad met vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie (landelijk parket).

In dit arrest wordt gebruik gemaakt van afkortingen. Voor zover relevant:

TSG: Team Speciale Getuigen (onder verantwoordelijkheid van het Landelijk Parket)

TBG: Team Bijzondere Getuigen (nieuwe naam voor TSG) (onder verantwoordelijkheid van het Landelijk Parket)

TGB: Team Getuigen Bescherming (onder verantwoordelijkheid van het Landelijk Parket)

AVR: het audiovisuele registratiesysteem van de politie dat wordt gebruikt om verhoren op te nemen

Stelsel B&B: stelsel bewaken en beveiligen (onder verantwoordelijkheid van de lokale hoofdofficier van Justitie)

1 Inleiding: het procesverloop

1.1 Het politieonderzoek
Op 11 april 2014 is door officier van justitie mr. [officier van justitie] een opsporingsonderzoek gestart onder de naam ‘Maggiora’. Op 9 januari 2015 is dit onderzoek overgedragen aan het team Opsporing Aanpak Ondermijning en werd onder leiding van officier van justitie mr. [zaaksofficier] en met als teamleider [verbalisant onderzoeksleider] het opsporingsonderzoek voortgezet.
Het onderzoek richtte zich op verschillende personen die zich binnen een crimineel samenwerkingsverband met (inmiddels onherroepelijk veroordeelde) medeverdachte [medeverdachte 3] schuldig zouden maken aan – kort gezegd – de handel in drugs en het witwassen van de daaruit verkregen opbrengsten.
In de periode vanaf 13 mei 2014 tot de aanhouding van de verschillende verdachten is binnen het onderzoek bewijs verzameld door onder andere het tappen van telefoons, het uitvoeren van observaties, het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) en het vorderen van diverse gegevens.
Op 16 september 2015 is het onderzoek in een stroomversnelling gekomen toen duidelijk werd dat in een woning was geschoten met een vuurwapen door [medeverdachte 3] . De officier van justitie besluit dan om in te grijpen en tot aanhouding van de verdachten over te gaan.
Op 18 september 2015 zijn verdachten [medeverdachte 3] , [getuige] , [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] aangehouden. Er hebben doorzoekingen plaatsgevonden in onder andere de woningen van de verdachten, waarbij wapens en munitie werden aangetroffen.
In eerste instantie ontkennen alle verdachten iedere betrokkenheid bij drugshandel en wordt er veelvuldig een beroep gedaan op het zwijgrecht. Dit verandert op 14 oktober 2015 als medeverdachte [getuige] zijn eerste bekennende verklaring aflegt en openheid van zaken geeft.
Er volgen opnieuw aanhoudingen. Op respectievelijk 29 en 30 november 2015 zijn [medeverdachte 8] en [medeverdachte 4] aangehouden. Verdachte [medeverdachte 5] is op 15 februari 2016 aangehouden. [medeverdachte 1] is op 12 april 2016 aangehouden in het vervolgonderzoek naar de handel in cocaïne in Nederland (Maggiora II).
Het politieonderzoek heeft – samengevat – tot de volgende verdenkingen geleid:
- een tweetal transporten van verdovende middelen, van respectievelijk 22 en 66 kilogram cocaïne, vanuit de Dominicaanse Republiek naar Nederland;
- het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet ten aanzien van voornoemde transporten, ten aanzien van een transport van 400 kilogram cocaïne uit de Dominicaanse Republiek, ten aanzien van invoer van cocaïne vanuit Colombia, uitvoer naar Zweden en Duitsland van cocaïne en/of (grondstoffen voor) XTC en/of speed, alsmede de exploitatie van een amfetamine/MDMA-laboratorium;
- de handel (dan wel het aanwezig hebben) van cocaïne in Nederland;
- de uitvoer van verdovende middelen naar Duitsland en Zweden;
- het voorhanden hebben en overdragen van wapens en/of munitie;
- het (gewoonte)witwassen van geldbedragen en andere voorwerpen;
- het oprichten van, leiding geven aan en deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en artikel 11b van de Opiumwet.

1.2 Procesverloop bij de rechtbank
Bij de raadslieden van de medeverdachten van [getuige] bestond het vermoeden dat door het Openbaar Ministerie toezeggingen aan [getuige] zijn gedaan die van invloed zijn geweest op zijn verklaringsbereidheid. Ter onderbouwing van dit vermoeden werd aangegeven dat andere verdachten in het onderzoek (ook) zijn benaderd met de vraag of ze mee wilden werken met het onderzoek en dat de plotselinge omslag in de verklaringsbereidheid van [getuige] op 14 oktober 2015 moest betekenen dat [getuige] was ingegaan op de voorstellen van de politie/Openbaar Ministerie.
De behandeling bij de rechtbank is gestart met een pro forma-zitting op 3 juni 2016. Tijdens deze eerste zitting heeft mr. [zaaksofficier] ten aanzien van de verklaringsbereidheid van [getuige] en de betrouwbaarheid van deze verklaringen, onder meer opgemerkt: ‘En dat roept verbazing op bij de raadslieden van een aantal andere verdachten want ‘dan zal er wel wat zijn afgesproken met het Openbaar Ministerie’. Die wellicht terugkerende vraag kan hier eenmalig en kort beantwoord worden: Nee, er is geen enkele afspraak of overeenkomst gemaakt door het Openbaar Ministerie met de verdachte [getuige] in deze strafzaak. En zou dan de volgende vraag kunnen zijn: en in een andere zaak dan? Daar weet ik niets van en is voor de beoordeling van de rechter van deze strafzaak ook niet van belang.
Als sprake zou zijn van een overeenkomst in deze zaak, geeft het wetboek van strafvordering meerdere bepalingen over hoe hier mee om te gaan zodat een en ander transparant is voor de raadslieden en de rechtbank. Maar daar is zoals gezegd hier geen sprake van. De verdachte [getuige] is gelijk aan de andere verdachten met dat verschil dat hij wél opening van zaken geeft.’
Gedurende het onderzoek in eerste aanleg heeft de verdediging verschillende onderzoekswensen ingediend, gericht op het verkrijgen van informatie over een mogelijke deal tussen het Openbaar Ministerie en [getuige] . Dit leidt er onder meer toe dat [getuige] bij de rechter-commissaris wordt gehoord. Tot beantwoording van vragen van de verdediging is het evenwel niet gekomen, omdat [getuige] zich tijdens dit verhoor op zijn verschoningsrecht (dat hem toekwam als verdachte) beriep. Een deel van de verzoeken is afgewezen, omdat daartoe de noodzaak niet was gebleken.
De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op verschillende dagen in juni 2017. Tijdens zijn requisitoir heeft mr. [zaaksofficier] zijn standpunt ten aanzien van de positie van [getuige] herhaald. Hij merkte, voor zover hier relevant, op:
Op de vraag of sprake is van een deal in de zin van een afspraak of overeenkomst in deze strafzaak, herhaal ik wat al eerder op de pro-formazitting is gezegd: nee, die is er niet. En de vraag of dit dan wel voor een andere strafzaak zou kunnen gelden, weet ik niet want dat zou dan geheel buiten de zaaksofficier om gaan. Ik weet hier niets van en uw Rechtbank en de raadslieden ook niet want voor een dergelijke overeenkomst bevat strafvordering meerdere bepalingen zodat een en ander transparant is voor de raadslieden en de rechtbank. Maar daar is zoals gezegd hier geen sprake van. De verdachte [getuige] is gelijk aan de andere verdachten met dat verschil dat hij wél opening van zaken geeft en inmiddels in het Stelsel Bewaken en Beveiligen zit.
(…)
Het wantrouwen omtrent de reden van verklaren is onterecht want het is niet voor het eerst dat een verdachte openheid van zaken geeft; ook als hij zichzelf daarmee zwaar belast. En dit gebeurt ook zonder dubbele of verborgen agenda; de medeverdachten en de raadslieden dienen dit te accepteren waarbij uiteraard vraagtekens gesteld mogen worden bij de betrouwbaarheid.
(…)
Het motief van de verdachte [getuige] is al aan de orde geweest en berust geenszins op wraak tegen een van de medeverdachten. Het is eenvoudig genoeg geweest met het criminele leven, zoals [getuige] aangeeft, en dat betekent dus dat de verklaring alles of niks wordt. (…)
Dat [getuige] pas bij het 6e verhoor op 20 oktober 2015 (het hof begrijpt: 14 oktober 2015) openheid van zaken geeft en niet gelijk vanaf de aanhouding op 18 september, doet niets af aan de betrouwbaarheid en het motief van die verklaring. Het is waarschijnlijk een afweging geweest die wat langer heeft geduurd wat duidelijk blijkt uit de enkele woorden van hem: het is alles of niks.
De rechtbank heeft verdachte bij vonnis van 1 augustus 2017 veroordeeld zoals hiervoor is vermeld.

1.3 Procesverloop bij het gerechtshof
Verdachte heeft op 11 augustus 2017 hoger beroep ingesteld. De verdediging heeft bij appelschriftuur opnieuw verzocht om het horen van getuigen, waaronder [getuige] .
Op 12 november 2019 wordt er in een uitzending van [programma] aandacht besteed aan [getuige] . Hij openbaart in de betreffende reportage voor het eerst dat sprake is geweest van contacten met het Openbaar Ministerie. In een persbericht bestrijdt het Openbaar Ministerie het beeld dat gewekt wordt in de uitzending.
Op 17 december 2019 heeft de verdediging aanvullende onderzoekswensen kenbaar gemaakt die zien op het bestaan van een mogelijke deal tussen het Openbaar Ministerie en [getuige] . Er zijn ter onderbouwing stukken overlegd die de suggestie zouden kunnen wekken van verdergaand contact tussen het Openbaar Ministerie en [getuige] . Door de verdediging is verzocht om het horen van in totaal veertien getuigen, waaronder [getuige] , mr. [zaaksofficier] , mr. [officier van justitie getuigenbescherming] , mr. [rechercheofficier van justitie 1] , rechercheofficier van justitie , mr. [advocaat van getuige] , voormalig raadsman van [getuige] , en verbalisant [verbalisant 1] . Daarnaast is verzocht om de verstrekking van de auditieve registraties van de verhoren van [getuige] .
Het hof heeft het verzoek tot het horen van [getuige] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 9] bij de raadsheer-commissaris toegewezen. Daarnaast heeft het hof beslist dat mr. [zaaksofficier] en mr. [advocaat van getuige] ter zitting worden gehoord en dat in een schriftelijke procedure aan mr. [officier van justitie getuigenbescherming] en mr. [rechercheofficier van justitie 1] vragen kunnen worden gesteld. Ook is het verzoek om verstrekking van de auditieve registraties van de verhoren van [getuige] toegewezen.
Op de regiezitting van 17 februari 2022 beroept mr. [advocaat van getuige] zich op zijn verschoningsrecht.
Naar aanleiding van het uitluisteren van de auditieve registraties verzoekt de verdediging op deze zitting om het woordelijk uitwerken van de verhoren van [getuige] , omdat uit die registraties zou blijken dat er voorafgaand aan de politieverhoren van [getuige] op 14 oktober 2015 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [getuige] en mr. [zaaksofficier] . Het verzoek wordt toegewezen. Hierdoor komt het hof dan niet toe aan het horen van mr. [zaaksofficier] .
De woordelijke uitwerking van de verhoren van [getuige] is aan het dossier toegevoegd. Uit de uitwerking van het verhoor van 14 oktober 2015 blijkt dat [getuige] tijdens het verhoor meermaals verwijst naar een gesprek dat hij voorafgaand aan het politieverhoor had met mr. [zaaksofficier] .
Op respectievelijk 17 juni, 30 juni en 13 oktober 2022 zijn [verdachte] en medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] door de raadsheer-commissaris gehoord. Het is niet gelukt om getuige [medeverdachte 9] te horen.
Tijdens de volgende regiezitting op 13 oktober 2022 is mr. [zaaksofficier] ter zitting gehoord. De vragen van de verdediging waren gericht op het contact tussen mr. [zaaksofficier] en [getuige] en in het bijzonder het gesprek dat mr. [zaaksofficier] met [getuige] heeft gevoerd voorafgaand aan zijn bekennende verklaring. Ter zitting verklaart mr. [zaaksofficier] over het gesprek dat hij, samen met [verbalisant onderzoeksleider] , voorafgaand aan het verhoor van 14 oktober 2015 had met [getuige] . Na enkele uren van ondervraging verklaart mr. [zaaksofficier] op vragen van de voorzitter dat hij het gesprek met [getuige] van 14 oktober 2015 AVR heeft laten opnemen en dat de opname nog beschikbaar is. Deze is, zo stelt hij, bewaard in een kluis in verband met de gevoeligheid van de informatie.
De mededeling dat het gesprek tussen [getuige] , [verbalisant onderzoeksleider] en mr. [zaaksofficier] AVR is opgenomen, leidt opnieuw tot onderzoekswensen. Het hof bepaalt – kort gezegd – dat de AVR-opname naar het kabinet van de raadsheer-commissaris wordt gestuurd en dat de raadsheer-commissaris in samenwerking met een door het Openbaar Ministerie te bepalen medewerker op het kabinet de opname uitluistert, waarbij door de medewerker van het Openbaar Ministerie kan worden aangegeven welke delen zouden moeten worden verwijderd en de raadsheer-commissaris beslist of de opname op dat onderdeel geschoond moet worden. Het hof bepaalt dat de geschoonde opname en woordelijke uitwerking aan het dossier worden toegevoegd. Ook wijst het hof het verzoek tot het horen van mr. [officier van justitie getuigenbescherming] bij de raadsheer-commissaris toe.
Op 23 januari 2023 heeft de raadsheer-commissaris, onder schrapping van twee passages, de woordelijke uitwerking van de AVR-opname van 14 oktober 2015 aan aangeleverd.
Op 27 januari, 16 en 17 februari 2023 is [getuige] vervolgens als getuige door de raadsheer-commissaris gehoord. In deze verhoren heeft [getuige] verklaard in zijn eerdere verklaringen zaken te hebben aangedikt, hier en daar gaat hij daar wat verder op in, maar bij meer gedetailleerde vragen beroept hij zich veelal op zijn verschoningsrecht. Hij beantwoordt wel uitgebreid vragen over (de aard van) contacten die hij tijdens het politieonderzoek en in de aanloop naar de zitting bij de rechtbank, tijdens die zitting en nadat vonnis gewezen is, met het Openbaar Ministerie en de politie heeft gehad. In het verhoor van 27 januari 2023 heeft [getuige] onder meer verklaard dat hij één of twee dagen na het gesprek met mr. [zaaksofficier] op 14 oktober 2015 1 of 2 verklaringen opnieuw heeft moeten ondertekenen, omdat er iets gewijzigd was: “de nummering van de verhoren, het hoeveelste verhoor het was, werd aangepast”.
Op 20 maart 2023 ontvangt het hof van de advocaat-generaal een proces-verbaal van bevindingen (betreft: bevindingen onderzoek verklaringen [getuige] ) opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] op 17 maart 2023. Dit proces-verbaal is op verzoek van de advocaat-generaal opgemaakt ter beantwoording van de vraag of de verklaring van [getuige] over het opnieuw ondertekenen en verbetering van de nummering van processen-verbaal met de weergave van door hem afgelegde verklaringen, juist is. In het proces-verbaal van bevindingen is opgenomen dat geen van de bevraagde betrokken verhoorders zich kon herinneren dat zich een dergelijke situatie had voorgedaan en ook uit de uitwerking van de audioregistraties van de verhoren van [getuige] was daarvan niet gebleken.
Op 22 maart 2023 volgt opnieuw een regiezitting waarbij weer onderzoekswensen worden besproken. De beslissing op de onderzoekwensen wordt meegedeeld op de zitting van 24 maart 2023. Deze houdt voor zover hier relevant in dat het hof:
- de advocaat-generaal opdraagt om het OM-journaal dat is opgemaakt met betrekking tot het onderzoek Maggiora én het OM-journaal dat is opgemaakt ten behoeve van de door [getuige] als getuige afgelegde kluisverklaringen in handen te stellen van de raadsheer-commissaris;
- bepaalt dat de raadsheer-commissaris in samenwerking met een door het Openbaar Ministerie te bepalen medewerker van justitie de journaals doorneemt, waarbij de betreffende medewerker de gelegenheid krijgt om aan te geven welke delen uit de journaals niet zichtbaar zouden moeten worden gemaakt. De raadsheer-commissaris beslist vervolgens of het journaal op dat onderdeel wordt geschoond. Belangen gelegen in de veiligheid van derden of strafvorderlijke belangen kunnen in de weg staan aan het openbaar maken van delen van de journaals. De geschoonde journaals worden toegevoegd aan het dossier;
- bepaalt dat eerst na toevoeging van de geschoonde journaals aan het dossier de verhoren van de getuigen bij de raadsheer-commissaris zullen plaatsvinden.
Verder heeft het hof beslist dat als getuigen [verbalisant onderzoeksleider] en mr. [rechercheofficier van justitie 1] , door de raadsheer-commissaris worden gehoord. Ook heeft het hof de oproeping van getuige mr. [officier van justitie getuigenbescherming] op een nader te bepalen behandeling ter terechtzitting bevolen.
Uit de via de advocaat-generaal aan het hof verzonden brief van 3 juli 2023 met als onderwerp: ‘Verkennende gesprekken met verdachte [getuige] ’ opgemaakt door mr. [officier van justitie bij het landelijk parket] , blijkt dat door het landelijk parket geen journaal is bijgehouden, waardoor het Openbaar Ministerie in zoverre niet aan de opdracht van het hof kan voldoen. Wel is relevant mailverkeer bewaard gebleven en zijn er mutaties van het Team Bijzondere Getuigen. Mr. [officier van justitie bij het landelijk parket] heeft de beschikbare stukken doorgenomen en stelt dat daaruit op geen enkele manier kan worden afgeleid dat er een “deal” zoals bedoeld in artikel 226g en/of 226k van het Wetboek van Strafvordering is gesloten.
Uiteindelijk heeft contact tussen mr. [officier van justitie bij het landelijk parket] en de raadsheer-commissaris ertoe geleid dat het hof de mails en mutaties van het landelijk parket ontvangt. Deze stukken zijn – geschoond – bij het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 8 november 2023 gevoegd.
De opdracht van het hof om het journaal van het arrondissementsparket aan de raadsheer-commissaris over te leggen is door de advocaat-generaal overgebracht aan mr. [rechercheofficier van justitie 2] . Uit het hiertoe door mr. [rechercheofficier van justitie 2] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 24 juli 2023 volgt dat hij – na een uitgebreide consultatie van collega’s, ook landelijk – tot de conclusie is gekomen dat hij niet aan de opdracht van het hof zal voldoen. Mr. [rechercheofficier van justitie 2] heeft het gehele journaal, bestaande uit 169 aantekeningen opgemaakt tussen 14 januari 2015 en 1 april 2017, gelezen en concludeert dat in het journaal geen aanwijzingen te vinden zijn dat er op enig moment een overeenkomst gesloten zou zijn tussen mr. [zaaksofficier] en [getuige] .
Op 14 november 2023 volgt een tussentijdse regiezitting. Het hof bepaalt opnieuw dat de advocaat-generaal het journaal dat is opgemaakt met betrekking tot het onderzoek Maggiora uiterlijk 1 februari 2024 in handen stelt van het kabinet van de raadsheer-commissaris, omringd met de waarborgen zoals eerder is bepaald.
De verhoren van de getuigen [verbalisant onderzoeksleider] , voor zover zijn gezondheid dit toelaat, en [rechercheofficier van justitie 1] bij de raadsheer-commissaris, dienen plaats te vinden na 1 februari 2024. Verder beveelt het hof de oproeping van getuigen mr. [officier van justitie getuigenbescherming] , mr. [zaaksofficier] en mr. [advocaat van getuige] voor de (regie)zittingen op 3, 6, 10 en 11 juni 2024.
Uiteindelijk voldoet het Openbaar Ministerie aan de opdracht van het hof om het journaal (ook wel: de mutaties van het arrondissementsparket) over te leggen. De geschoonde selectie is gehecht aan het proces-verbaal van bevindingen van 17 april 2024 opgemaakt door de raadsheer-commissaris.
Op 27 mei 2024 is getuige mr. [rechercheofficier van justitie 1] bij de raadsheer-commissaris gehoord.
Op de regiezitting op 3, 6 en 10 juni 2024 zijn ter zitting getuigen mr. [officier van justitie getuigenbescherming] en mr. [zaaksofficier] gehoord. Mr. [zaaksofficier] heeft onder meer aangegeven dat hernummering van processen-verbaal van verklaringen van [getuige] heeft plaatsgevonden. Er wordt afgezien van het horen van mr. [advocaat van getuige] , omdat hij heeft aangegeven zich (opnieuw) op zijn verschoningsrecht te zullen beroepen.
Op 10 juli 2024 ontvangt het hof een proces-verbaal van bevindingen, het betreft: ‘Vragen van behandelende Advocaat-Generaal’, opgemaakt op 4 juli 2024 door verbalisant [verbalisant 3] . In dit proces-verbaal geeft verbalisant [verbalisant 3] antwoord op vragen die betrekking hebben op de werking van politiesystemen Summ-IT en AVR-registratie.
Bij voorzittersbeslissing van 12 juli 2024 is beslist dat voor de inhoudelijke behandeling als getuigen mr. [zaaksofficier] en verbalisant [verbalisant 3] moeten worden opgeroepen. Daarnaast geeft de voorzitter opdracht aan de raadsheer-commissaris om nogmaals na te gaan of [verbalisant onderzoeksleider] als getuige kan worden gehoord.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 23 juli 2024 volgt dat [verbalisant onderzoeksleider] niet kan worden gehoord, maar wel in staat is om schriftelijk vragen te beantwoorden. Deze mededeling wordt uiteindelijk achterhaald door het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 12 september 2024, waarin de raadsheer-commissaris uitlegt dat vanwege de ernstig verslechterde gezondheidssituatie van [verbalisant onderzoeksleider] wordt afgezien van zijn verhoor als ook van het schriftelijk beantwoorden van vragen.
Op 16, 17, 20, 23 en 24 september 2024 heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden. Ter zitting zijn getuigen mr. [zaaksofficier] en verbalisant [verbalisant 3] gehoord.

2 Over de aard van de contacten tussen [getuige] en het Openbaar Ministerie:

Toezeggingen?

Uit het dossier, inclusief de vele in de fase van het hoger beroep toegevoegde stukken zoals hierboven beschreven, blijkt dat er sprake is geweest van veelvuldig contact van politie en justitie met [getuige] en zijn advocaat. Als eerste dient onderzocht te worden wat de aard van die contacten is geweest, waarbij het hof een scheidslijn aanbrengt tussen de contacten voorafgaand aan het politieverhoor op 14 oktober 2015 en de contacten die na dat moment hebben plaatsgevonden. In dat verband stelt het hof over de inhoud van die contacten het volgende vast.

2.1 Contacten tussen het Openbaar Ministerie en [getuige] tot en met 14 oktober 2015
Op 18 september 2015 zijn in het onderzoek Maggiora, zoals hierboven al aangegeven, de eerste verdachten aangehouden, onder wie [getuige] . Tijdens de eerste verhoren op 18, 19, 20 en 28 september beriep [getuige] zich voornamelijk op zijn zwijgrecht.
Op 1 oktober 2015 is er na de raadkamer gevangenhouding een gesprek tussen [getuige] en twee personen van de TCI. Uit het dossier blijkt ook dat er, na overleg met de zaaksofficier (het hof begrijpt: mr. [zaaksofficier] ), een oriënterend gesprek plaatsvindt tussen teamleider [verbalisant onderzoeksleider] en [getuige] . Dit gesprek is, volgens de mutaties van het landelijk parket, geïnitieerd naar aanleiding van het laatste verhoor van [getuige] voorafgaand aan zijn voorgeleiding bij de RC, waarin hij aangaf voornemens te zijn openheid van zaken te geven en alles te willen verklaren. Uit de beschikbare verhoren van [getuige] van voor 14 oktober 2015 blijkt dat hij daartoe, na de voorgeleiding, in ieder geval niet zonder meer is overgegaan. [getuige] heeft zich immers tot 14 oktober 2015 voornamelijk op zijn zwijgrecht beroepen ten aanzien van de feiten. Op 1 oktober 2015 is met [verbalisant onderzoeksleider] onder meer besproken dat [getuige] gevaar loopt. [getuige] verklaart daarover bij de raadsheer-commissaris: “Ze zeiden: je bent echt in gevaar”. Aan [getuige] werd gevraagd of hij bereid is om te verklaren. [getuige] heeft hierover verklaard dat aan hem werd aangegeven dat ze hem konden helpen, dat hij een lagere straf zou kunnen krijgen en bescherming.
Het dossier bevat geen proces-verbaal van deze gesprekken, ook bevat het journaal van het arrondissementsparket hierover geen mutatie.
Uit de mutaties van het landelijk parket volgt dat [verbalisant onderzoeksleider] , na diens oriënterend gesprek met [getuige] , officier van justitie mr. [zaaksofficier] van zijn bevindingen op de hoogte heeft gebracht en dat mr. [zaaksofficier] daarna overleg heeft gevoerd met rechercheofficier mr. [rechercheofficier van justitie 1] en [mr. TCI-officier] .
Op 6 oktober 2015 heeft bij het arrondissementsparket een intern overleg plaatsgevonden tussen mr. [rechercheofficier van justitie 1] , [mr. TCI-officier] (het hof begrijpt: [mr. TCI-officier] ) en twee andere personen. Het doel van dit gesprek was het verkennen van de mogelijkheden om een dealgetuigentraject of een TBG traject in te gaan in dit onderzoek. De conclusie luidt: geen inzet dealgetuigentraject of TBG traject of stelsel BenB.
Bij het verhoor bij de raadsheer-commissaris heeft mr. [rechercheofficier van justitie 1] verklaard dat de reden gelegen was in het feit dat [getuige] zich op zijn zwijgrecht beriep.
Vervolgens heeft mr. [zaaksofficier] op 13 oktober 2015 gebeld met mr. [advocaat van getuige] , de raadsman van [getuige] . Mr. [zaaksofficier] heeft tijdens dit gesprek meegedeeld dat er met [getuige] gesproken zou gaan worden, dat er geen sprake meer was van een zogenaamde dealgetuige en dat [getuige] verteld zou worden dat er een strafeis van minimaal acht jaar in het verschiet zou liggen als alleen van import van cocaïne uit zou worden gegaan.
Op 14 oktober 2015 is [getuige] opnieuw gelicht voor een verhoor in Maggiora en overgebracht naar het politiebureau. Voorafgaand aan dit verhoor wordt [getuige] naar eigen zeggen verrast met een bezoek van onderzoeksleider [verbalisant onderzoeksleider] en zaaksofficier van justitie mr. [zaaksofficier] . Uit de letterlijke weergave van dit gesprek blijkt dat tijdens dit gesprek onder meer het volgende is gezegd:
A: [getuige]
Officier: zaaksofficier mr. [zaaksofficier]
TL: onderzoeksleider [verbalisant onderzoeksleider]
A: Goeiedag! Dat had ik niet verwacht. Ik ben [getuige] . Hallo.
Officier: Hallo. Ik ben [zaaksofficier] .
A: Dag. Hallo. Ik had u wel een keer gesproken.
(…)
Officier: Het verhoor wordt ook opgenomen.
A: Oké.
Officier: Dus dat is ook voor je advocaat, die kan dat gewoon allemaal naluisteren. Die kan het uitwerken…
A: Komt dit verhoor ook in de overige stukken of dat niet?
Officier: Dit verhoor staat op band en kan uitgewerkt worden.
Officier: En de bedoeling hiervan is dat ik samen met [verbalisant onderzoeksleider] , de teamleider, eigenlijk even gewoon heel duidelijk aan jou wil stellen hoe het ervoor staat. (…) dat we jou duidelijk willen maken, dat je hier niet voor zo maar iets zit.
A: Nee dat weet ik. En ik heb een gesprek gehad…
Officier: (…) een enkele keer doe ik het wel eens vaker dat ik met een verdachte zelf als officier in gesprek ga. (…) Omdat ik het idee heb dat jij zoals dat ook op zitting van de raadkamer naar voren kwam, dat je nog niet het minste idee hebt wat jou boven het hoofd hangt. (…) als het op zitting komt, denk aan een strafeis van 8 jaar. Dan hebben we het over het minimum.
A: Ja dat weet ik. (…)
Nou ik heb natuurlijk in de tussentijd natuurlijk ook met mijn advocaat heel wat uurtjes gesproken.
Officier: Ja. Maar is dat besef al bij jou doorgedrongen?
A: Ja het besef was wel doorgedrongen. En ik was daarom juist een beetje teleurgesteld in het... In wat ik van de advocaat heb begrepen, over dat gesprek wat ik heb gehad na de raadkamer. (…)
Officier: Even los daarvan [getuige] [FON]. Dat gesprek daar hoef ik verder in zoverre niet moeilijk over te doen. Je hebt toen een gesprek gehad in de raadkamer, dat is gewoon een afgesloten traject. Dat ene specifieke is een afgesloten traject. Wat wel nog altijd openstaat, en waar wij natuurlijk geen 100% garantie op kunnen geven, die we zeker ook in willen... Bemiddelen en actie in kunnen ondernemen, is dat jij, nou ja, een vorm van, ik zeg een vorm van bescherming, want ik ga daar niet over. Een vorm van bescherming zou kunnen krijgen als jij zegt: “Ik stap hieruit.” “Ik wil hier niks meer mee te maken hebben...”
A: Dat heb ik al aangegeven.
Officier: En dat is een traject wat wij in gang kunnen zetten met nogmaals, ik kan je daar geen garantie over geven. Ik kan niet van het uiteindelijke resultaat nu op voorhand al zeggen: “Dat is 100%”.
TL: Dat heeft met criteria te maken, ik denk dat ze je dat ook wel uitgelegd hebben [getuige] . Dat heeft ook met criteria te maken met... Daar zal in zo’n traject moet een risicoanalyse gemaakt worden.
A: Dat is denk ik groot. Heel groot.
TL: En daar speel jij, daar ben jij de sleutel toe.
A: Ja. Maar ik heb begrepen van mijn advocaat dat jullie ervan afzien... Omdat jullie hebben de zaak al rond...
Officier: Nee maar wacht even...
A: Zo is het mij verteld.
Officier: Ja. Ik heb gisteren ook met jouw advocaat gesproken.
A: Oh gisteren. Oké.
Officier: Jouw advocaat die belde mij. Die weet er ook van dat wij nu dit gesprek met jou hebben.
A: Oh...
(…)
Officier: En ik heb hem ook uitgelegd van. Daar gaan we het verder niet over hebben. Je hebt verschillende trajecten. Het ene traject waarvan wij zeggen: “Ja dat gaan we niet doorlopen” Dat klopt, dat blijft staan. Maar het andere traject wat nog een mogelijkheid zou kunnen zijn is om een vorm van bescherming te kunnen bieden.
A: Ik ben helemaal niet uit op geld of wat dan ook. Maar ik wil graag...
Officier: Krijg je ook niet.
A: Er zijn wel dingen, dat zoiets geregeld... tenminste, dat heb ik wel eens gelezen in het nieuws. Maar daar ben ik helemaal niet op uit. Ik wil uit die wereld. Ik ben er echt klaar mee. Maar het is heel moeilijk. Ik wil er al een jaar geleden mee stoppen, maar het kan niet! Het wil gewoon niet! Echt waar...
(…)
Officier: Er spelen grote strafbare feiten in. Zoals ik al zei, ik heb twee dagen gelezen heb ik nog een arrest gekregen, een vonnis gekregen van de rechtbank waarin heel duidelijk stond, dat ging alleen maar over eenmaal import, wel een grote hoeveelheid, van verdovende middelen. Daar heeft diegenen nog een iets mindere rol. Die heeft 7 jaar gekregen, maar gaf de rechtbank aan, hij kreeg wat vermindering op straf omdat hij meegewerkt had aan het onderzoek. Dat is dus wat jouw procespositie ook van belang is. Jij bent geen domme jongen, jij weet heus wel, belangen afwegen en noem zo maar op.
A: Ik had me er sowieso al bij neergelegd dat ik zeg maar in drie, vier jaar niet vrij zou zijn. Dat heb ik voor mezelf al...
Officier: Drie, vier jaar, dat zou ik maar verdubbelen.
A: Mijn advocaat heeft ook wel gezegd: “De richtlijn is ergens tussen de 8 en de 10 of zo.” (…)
Officier: Kijk, dus we hebben het over iets. Het is een belangrijke zaak. Jouw procespositie, je moet weten, en dat is niet iets waarmee we jou iets voorspiegelen. Dat is meer een voorlichting die ik geef. Het is gewoon zo, en ik weet wel dat dingen vaak anders gezegd worden: “Als je meewerkt dan ben je vaak slechter af.” Dat is gewoon niet zo. En dat kan als je meewerkt, kan het zeker ook in je voordeel zijn. Uiteindelijk bij de rechtbank. Ik kan daar natuurlijk ook aangeven uiteindelijk in mijn requisitoir. En uiteindelijk is het aan de rechter om daarover te beslissen.
A: Ik wil wel meewerken, maar kunnen jullie ervan uitgaan dat ik echt openheid van zaken geef en eerlijk ben. Ik verwacht alleen maar dat ik dan niet... Als ik dan wel vrijkom, dat ik dan niet, dat ik niet in de problemen kom te zitten. Niet alleen ik, maar ook mijn moeder bijvoorbeeld.
TL: Kijk, luister [getuige] . Ik heb je vorige week gesproken. Dat traject waar [zaaksofficier] het over heeft, dat traject hebben drie andere mensen met jou ook over gesproken.
A: Ja.
TL: Dat traject is niet uitgekozen. Maar de wijze waarop wij jou nu horen, als ik iets niet goed zeg, moet je mij verbeteren [zaaksofficier] . Dat wijkt af van wat er in dat traject loopt. Dat neemt niet weg, dat wij als er aanleiding toe is, ja.. Kunnen dat beveiligingstraject in werking kunnen zetten, dat we daar een aanvang mee nemen. Ik geef je net aan, dan moet het duidelijk zijn. Waar hebben we mee te maken? Is die groep wel zo gevaarlijk of zit het tussen jouw oren? Begrijp je wat ik bedoel? Daar ben jij de sleutel in [getuige] , dat heb ik je de vorige keer ook al uitgelegd.
A: Nou...
TL: Beloven kun we het niet. Wat we wel kunnen beloven, dat wij fair play doen. Dat heb
je vorige keer gezien, want toen wilde je al praten toen zei ik “Ho even wachten. Zo werkt het even niet’. En nee, fair play! Als wij nu zouden zeggen: “Ja, we gaan je helemaal... En dat komt helemaal goed...” Dan praten we voor onze beurt. Want daar zit een protocol aan vast.
A: Ik heb gehoord dat het afgewezen werd.
Officier: Nee! Laten we zeggen, er zijn meerdere mogelijkheden. Er is ook een mogelijkheid om bijvoorbeeld een verklaring af te leggen die dan gebruikt wordt tegen de andere mensen hier in dit traject. In deze strafbare feiten waar over je iets zegt. Tegen de andere verdachten die hierin zitten. Voordat je zoiets doet, moet je het juridisch gezien afwegen. Zijn er ook andere mogelijkheden? Heb je voldoende bewijs uit alles wat je nu hebt? En is dit het enige wat je nog resteert om het bewijs rond te krijgen? En dat is niet zo. Dit is niet... Jouw verklaring over die andere personen binnen dit groepje waar we het nu over hebben, is niet zo dat dat het enige is wat nog tot oplossing van die feiten kan leiden. Want... We hebben jouw laptop. We hebben er ook gewoon toegang toe. We hebben er al van alles en nog wat in aangetroffen. We zijn nog niet op een tiende misschien waar we mee bezig zijn. We hebben het kasboek ook. Hè?
A: Hmhm.
(…)
A: Ik wil alles wel eerlijk vertellen. Ik hoop maar dat het mij misschien ten goede gaat komen. Ik weet het niet. Dat hoop ik gewoon.
(…)
Officier: Laten we even zeggen, ik noem maar wat heel extreem, dat je vrijkomt ben je 35, ik noem maar iets. Ik noem maar iets. Dan ben je nog 35 hè? Ik bedoel, dan kun je nog... Dan ben je ervan af. En... En dat is wat wij. Jou willen voorhouden over je procespositie. Ga ik nu niks zeggen omdat ik nou ja, denk dat het beter voor mezelf is? Ga ik niks zeggen, dan loop je het op hè? Ga ik niks zeggen omdat ik denk dat ik problemen ga krijgen? Daar zouden wij wat in kunnen betekenen. Zonder 100% garantie, nogmaals.
A: Ja dat....
TL: Maar die had je met het andere ook niet 100% garantie. Het is afhankelijk van wat is jouw story, wat hangt eromheen en waar komen de risico’s vandaan? Daar gaat het om..
A: Hmhm.
(…)
A: Ik wil het ook wel vertellen! Maar ja... als ik alles eerlijk vertel, ik hoop dat ik misschien ook wat eerder vrij zou kunnen komen. Dat zou wel mooi zijn. Dan kan ik sneller verder met mijn leven. Dan zitten die anderen nog vast misschien?
Officier: Hmhm.
A: Dat is ook een beetje geruststelling. Dan heb ik tijd om weer eh dingen op te bouwen. En dat ik straf moet krijgen dat begrijp ik. Ik heb foute dingen gedaan. Hele foute dingen. Alhoewel het niet allemaal, ik had het echt niet zo gewild.
TL: Je krijgt de kans om daarover te praten. Maar je krijgt ook de kans [getuige] om te zeggen hoe je erin gekomen bent, en hoe je in die wereld terecht komt. Snap je wat ik bedoel? Die kans krijg je en die kans moet je ook pakken. En dat soort dingen kunnen dus overwegingen zijn juist om wel of niet zo’n traject in gang te zetten. Dat we zeggen: ‘Ja maar goed, hij doet dit...” Je hebt als overheid ook nog een keer.. ik denk dat ik dat gerust kan zeggen. Dat we een zorgplicht hebben.
Officier: Ja hoor.
TL: Dus wij kunnen niet zomaar iemand weer in de leeuwenkuil gaan gooien [getuige] . Dat gaat niet.
Officier: Maar dan moeten we wel weten waar die leeuwenkuil uit bestaat.
TL: Anders kunnen we dat nooit inschatten.
A: Ik heb met mijn advocaat erover gesproken en die... Had ook helemaal geen slechte woorden. Hoe moet ik dat zeggen? Dat het wel een beetje op vertrouwen aankwam. Ik wil het wel… Ik denk dat het voor mij wel het beste is om maar te vertellen wat ik weet.
Officier: Dat is... Hoef je niet gelijk bij ons te doen. Wij zijn niet de officiële verhoorders.
Officier: Het is natuurlijk wel zo van... Dat heeft ook... Kijk, we kunnen wel wat dingen voor je betekenen. Dat kan ik gewoon als officier, dat ligt ook in mijn macht, we kunnen zorgen dat jij weer... Kun je via verhoorders doen, dat je kleding goed geregeld wordt. We kunnen ook... Dat is ook geen probleem dat er wat geld op je rekening komt via je vader, desnoods bellen wij of wat ook maar. Ik kan ook zorgen, als je zegt dat je in een andere PI zou willen zitten of weet ik veel wat. Dat zijn allemaal zaken... We kunnen ook wat aan de beperkingen doen.
A: Dat zou fijn zijn.
Officier: De beperkingen. Als eerste is altijd, ben ik ook gewoon... Daarom wil ik ook dat dit opgenomen wordt. Ik ben hier gewoon transparant in. Kan ik eerst de mediabeperkingen doen. Dus dat je televisie kijkt. En daarna die beperkingen, daarvan zijn wij afhankelijk hoelang dat duurt, van... Het belang van die beperkingen. En wat is nu het belang voor ons van die beperkingen? Is dat we eigenlijk nog op zoek zijn waar wij dus... Zeer grote vermoedens van hebben, van een mogelijke bergplaats, misschien wel van wapens. Mogelijke bergplaats van geld. Waar wij ook... Veel moeite aan gedaan hebben om daarachter te komen. Maar ja, dat... is heel makkelijk om dingen te verstoppen. Maar om iets te vinden is heel moeilijk. Dat zijn dingen waar wij belang bij hebben. Dat is iets, dat kan natuurlijk naar voren komen in jouw verklaring. We hebben ook... Nou vertel ik je ook niks vreemds van. We hadden gewoon het idee... Nou meer dan een vermoeden. Dat er een transport weer aan zat te komen. Met bekende kokosnoten
A: [Lacht].
Ik denk dat het nu stop is gezet.
(…)
Officier: En de PGP’s… Ja jij kan erin.(…)
(…)
Officier: We gaan nu... Eigenlijk hebben we drie dingen genoemd. Wat ik dus van belang vind ook voor de beperkingen, dat is dus ook die, waar mogelijk drugs zullen vast ook nog wel ergens liggen, hoewel…
A: Nee…
(…)
Officier: We kennen jou behoorlijk, alleen al door de OVC. Maar…
TL: Ook jouw positie.
(…)
Officier: Precies vanuit je kasboek, die namen enz. En daar dan hebben we daarnaast als eerste belangrijk, vind ik wapens. Als er bergplaats is voor wapens, want... Ja, dit is misschien zou je kunnen zeggen dat ik op je gevoel speel. Jij hebt een tijd daar in die criminele organisatie gezeten. In die organisatie gezeten. Kun je allemaal vertellen hoe dat gekomen is en ook allemaal vertellen waarom je eruit wilt, ook al een jaar geleden. Prima! Maar je zou het toch niet op je geweten willen hebben, als er wapens zijn, dat die nu weer bij anderen terechtkomen, en dat daar misdrijven mee gepleegd worden.
A: Nee.
Officier: Dat is bij ons heel belangrijk.
A: Ik kan je wel vertellen, ze liggen wel goed. Maar ik wil wel zeggen waar ze liggen. Het zijn er nog drie of vier.
Officier: Wat voor wapens zijn dat dan?
A: AK.
Officier: Ja…
A: Eh… Een Browning en nog een mini Uzi, nog eentje. Jullie hebben eentje gevonden.
TL: Ja…
A: Er is nog één mini Uzi.
Officier: Verder hoef je niet…als jij aangeeft, waar liggen die dingen dan?
A: Nou er liggen eh… Eentje ligt in [plaats] bij een kennis. Bij een oudere vrouw. En die andere liggen bij mijn moeder thuis.
Officier: Dan hebben we er twee.
A: Twee plekken.
(…)
TL: Je gaat straks in verhoor, en daar gaan we even de prioriteiten neerleggen, want we zijn doodsbang dat er wat mee gebeurt.
(…)
A: Nee ik wil alles meewerken, maar ik bedoel... Misschien kunnen we het combineren met kleding of zo? Want dat…
TL: Maar je kleding moeten we toch ophalen.
A: Ja maar ik weet niet, het ligt op een paar plekken. De advocaat zei: “Misschien is er een mogelijkheid dat ik mee zou kunnen om die kleding te pakken.”
Officier: Daar wil ik nog niet gelijk op ingaan, maar ik sluit het niet uit. Dan moeten we gewoon zien in hoeverre... Je geeft aan: “Dit zijn voor mij op dit moment eerst de prioriteiten, dus [plaats] ?
TL: Als hij dat dadelijk tegen onze mensen vertelt. Die komen dadelijk [verbalisant 4] [NTV] die ken je...
A: Ja. Dat is wel fijn.
TL: En [verbalisant 1] omdat die al.. [verbalisant 5] die is ook weer...
A: Dat komt zo meteen in het verhoor. Dan komen dus die andere mensen die weten al dat ik ben begonnen met praten. Die wil ik niet tegenkomen die mensen.
Officier: Hoe bedoel je?
A: In de PI of zo. Die wil ik niet tegenkomen.
Officier: Nee, nee, nee.
A: Ik weet niet waar die anderen zitten. Niet in [plaats] volgens mij.
Dat bedoel ik alleen. Ik zit misschien wel in beperkingen maar ik kom wel mensen tegen.
Officier: Dat is heel duidelijk. Dat kunnen wij goed regelen. Daarom zeg ik ook, ik kan tegen de PI zeggen: ‘Je zou misschien naar die PI moeten.” Ik noem maar iets.
TL: Als wij kijken naar de andere verdachten zitten is het te regelen dat jij niet in de PI komt dat je ze dan tegenkomt, snap je wat ik bedoel?
A: Ja
TL: Dat is sowieso.
(…)
Officier: He? Ik noem maar wat. Mocht je nog gewoon in openheid zeggen, want je advocaat weet er dus van. Als het goed is komt hij morgen of overmorgen bij jou op bezoek. Gaf hij aan.
A: Mijn advocaat? Die komt vrijdag.
Officier: In [plaats] dan? Dan kun je nog weer het een en ander bespreken. Je kan zo meteen je verhoor gaan doen. Nog blijf je altijd, ben jezelf degene die beslist over wat je vertelt en niet vertelt.
A: Voor mij is het alles of niks, anders heeft het geen zin zeg maar. Ik hoop dan maar dat het mij hoop ik ten goede komt.
Officier: Ik geef eerlijk aan dat ik in alle openheid dat ook duidelijk wil maken uiteindelijk aan de rechter. Hoe dit gelopen is, hoe je hierin gekomen bent, hoe dat gelopen is, hoe je medewerking etcetera. Uiteindelijk, dat blijft in alle gevallen, is het laatste woord aan de rechter. Die beslist. Ja.
A: Ja, maar ik weet ook wel…
Officier: Ik bedoel, jouw advocaat, gaat het één en ander vertellen en ik kan het één en ander vertellen.
TL: Als ik jouw advocaat was wist ik wel wat ik zou zeggen. Zo gaat dat gewoon. En het andere traject, de zorgen over jouw veiligheid die je net aangeeft.
A: [zwart gelakt]
Officier: Daarom wil je er ook uit.
A: Ik wil er al heel lang uit. (…)
Officier: Dat zijn allemaal zaken, hoe je er uiteindelijk toe gekomen bent, die afgewogen kunnen worden. En ik kan in ieder geval in alle openheid aangeven, uiteindelijk als het zover is, hoe jij hier met je procespositie hierin staat. Je advocaat kan daar het nodige in betekenen. En wij zullen het uiterste doen, ten aanzien van bescherming om die mogelijk te maken.
A: In principe nu, vraag je al of er wapens zijn. Dat komt mij al heel erg ten nadele.
Officier: Hmhm.
A: Maar goed, ik zeg het maar. Ik ga alles...
(…)
Officier: Ja wacht even.
TL: We beperken ons nu even tot deze zaak. Die andere informatie daar gaan wij het ook over hebben. Dan zou het ook nog heel goed kunnen zijn dat je in het andere traject komt met allebei informatie die je weet.
(…)
Officier: Ik vertaal het dan juridisch, dat is dan de zorgplicht waar het net over hadden, die wij als overheid hebben. Dat zou heel simpel zijn, dat wij jou nu valse dingen voor gaan spiegelen hè? “Dat is geregeld, prima, prima.” En voor de rest laten we jou in je kooi wat we nog niet precies weten wat het is, en jij wordt vervolgens aan alle kanten verscheurd, en dan vervolgens denken: “Oh pech gehad, wij hebben het binnen!” Nee! Zo zit het niet in elkaar. We proberen het wel zo transparant mogelijk te doen. We hebben gekeken of het op een andere manier kan? Dat was gelet op jouw zaak, hè? Gelet op jouw zaak omdat er ook ander bewijs is, is dat eerst afgesloten. Maar die andere mogelijkheid hebben we het nu uitgebreid over gehad, die is er nog wel. En daar gaan wij ook voor jou... In gang zetten.
Dit kun je natuurlijk ook allemaal aan je advocaat vertellen dit. Er zit helemaal niks vreemds bij.
A: Dat begrijp ik.
TL: Dat stukje vertrouwen moet er zijn. Ik zit hier niemand... Na jouw zaak, een volgende
zaak voor mij hè? Begrijp je wat ik bedoel?
(…)
A: Dat is geld dat ligt zeg maar klaar om opgehaald te worden. Als niemand iets niet ophaalt...
TL: Duidelijk. Laat dat in het verhoor naar voren komen. Dat worden lange verhoren. Vandaag en morgen.
Officier: Misschien ook wel vaker.
TL: Wellicht ook volgende week en toestanden. Twee dingen. Het verhoor nu gaat gewoon over deze zaken. En alles wat daarbij naar buiten komt, waarmee je geconfronteerd wordt, gaan [zaaksofficier] en ik het nog over hebben.
A: Ik moet een beetje aan het idee wennen. Ik vind het makkelijker om zo over dingen te praten dan in een verhoor. Want ik zit dan in mijn achterhoofd, die verklaringen komen bij iedereen in de stukken. Misschien zit het tussen de oren hoor, maar dat is een naar idee.
TL: We nemen dit gesprek ook op, dat heeft [zaaksofficier] je ook van tevoren gezegd.
A: Dat weet it.
TL: Uiteindelijk gaat een rechter niet met een koptelefoon op zitten om te luisteren wat jij gaat zeggen, die wil dat op papier zien. Zo moet je dat zien. En die verklaringen krijgen… Uiteindelijk allemaal te zien.
(…)
TL: We kunnen het eventueel al, als het allemaal buiten deze zaak valt enz. Dat weet [zaaksofficier] beter dan ik. Dan... Hoeven dat soort verklaringen misschien niet eens in dit dossier mee.
A: Ik ben altijd gerustgesteld als ik weet of mijn moeder wel of niet naar de Caribbean is gegaan.
(…)
TL: Wat ik begrepen heb gaat ze naar [naam] ja. Ik weet niet of ze vandaag al vertrokken is of gisteren…
(…)
TL: Ik ga even bellen, ga je even terug je cel in. Ze hebben deze kamer gereserveerd. Controleer het even op typfouten als je daar gaat zitten, dan heb je wat te doen.
A: Ja, ik heb het al heel vaak doorgelezen...
TL: Wij gaan ook even zeggen dat je pa weer gebeld kan worden dat je... Dat je even wat poen... Heb je dat nu al opgemaakt?
A: Bijna op. Bijna op ja.
(…)
TL: Ja.... En de kleding daar valt ook wel wat voor te regelen.
A: Het ligt gewoon in huis.
(…)
TL: Zet alles voor jezelf even op een rijtje. We gaan je straks horen. De officier heeft al aangegeven hoe en wat, waar even de ketenpunten komen te liggen. We zijn nog lang niet klaar. In de tussentijd, draait onze trein ook wel door. We hebben veel overleg, zo niet dagelijks. En... gaan wij kijken wat wij aan de achterkant alvast op poten kunnen zetten of organiseren eventueel. En dan is het ook gewoon heel zakelijk, maar dat weet jij dondersgoed, heel zakelijk. Je hebt in de zaken gezeten. Je bent... als wij wat beloven gaat het net even over dan dat wij beloven...
(…)
In het journaal van het arrondissementsparket heeft zaaksofficier mr. [zaaksofficier] hierover genoteerd:
Op 14.10 (het hof begrijpt: 14 oktober 2015) gesprek gehad met [getuige] door mij en [verbalisant onderzoeksleider] (AVR) om hem te wijzen op zijn procespositie. [getuige] wil tactisch gaan verklaren. Eventuele andere trajecten zijn vanaf nu in handen bij TCI-officier.
Na het gesprek met mr. [zaaksofficier] en [verbalisant onderzoeksleider] is [getuige] op 14 oktober 2015 (vanaf 13.14 uur) verhoord in het onderzoek Maggiora. Tijdens dit verhoor beroept [getuige] zich niet langer op zijn zwijgrecht, zoals in de verhoren daarvóór, maar legt hij een uitgebreide bekennende verklaring af.
Bij aanvang van het verhoor geeft [getuige] aan dat hij “wel een goed gesprek” heeft gehad met [zaaksofficier] . Hij geeft aan dat hij een uur geleden dingen heeft verteld. Een van de verhorende verbalisanten geeft daarop aan dat zij van de inhoud van dat gesprek niet op de hoogte zijn.
Tijdens het verhoor antwoordt [getuige] op de vraag van een van de verhoorders waar [getuige] het eerste over wil verklaren: “Volgens mij, wat meneer [zaaksofficier] ook het liefst wil, dat zijn sowieso eerst die wapens”. Voordat hij inhoudelijk iets heeft verklaard zegt [getuige] dat hij, na overleg over bepaalde zaken, een volledige verklaring wil afleggen. Hij vermeldt dat mr. [zaaksofficier] had aangegeven dat er iets voor de kleding geregeld kon worden, dat hij denkt dat het het makkelijkst is als hij met iemand mee zou gaan om de kleding op te halen, dat de mediabeperkingen er wat hem (het hof begrijpt: mr. [zaaksofficier] ) betreft af mochten en dat dat voor hem ( [getuige] ) alweer een hoop scheelt. De verhoorders geven aan dat zij zullen regelen dat [getuige] met zijn vader kan bellen en dat de vader van [getuige] dan wat geld op zijn rekening kan storten.
[getuige] verklaart tijdens het verhoor over verstopplekken van wapens en nadat hij zo’n half uur heeft verklaard, merkt [getuige] op dat er toch eigenlijk bijna geen reden meer is voor de beperkingen: “als je in beperkingen zit, als je niet in beperkingen zit, dan kun je juist bijvoorbeeld iets regelen of iets wat verstopt is ergens anders weer te laten verstoppen. Maar ja, daar heb ik geen reden meer voor”. Ook verklaart [getuige] over de invoer van drugs uit de Dominicaanse Republiek en dat het kan zijn dat er een transport onderweg is, over mogelijke verstopplekken van geld en over PGP-toestellen van hemzelf en de medeverdachten en het ontsleutelen van die toestellen. [getuige] verklaart daarover onder meer: “Maar echt waar, die PGP’s, ik wil jullie alles wel geven en zeggen, maar dat heb ik ook al aan meneer [zaaksofficier] verteld”. Tijdens het verhoor merkt een van de verhoorders op:
Verbalisant: Wat de officier ook tegen jou heeft gezegd, en wat je daarmee doet, je bent nu met ons in gesprek. Je kan het ook zien, je bent nog vrij jong. En klaar, dit is kut, dit heb je ervaren. En je gaat ervoor zitten.
[getuige] : Maar waarschijnlijk wel wat minder lang.
Verbalisant: Dat bedoel ik.
Ook verklaart [getuige] : “Ja, ik zal daar nog met meneer [zaaksofficier] verder over gesprekken hebben. Maar ja, het is natuurlijk wel de bedoeling dat als ik vrij kom, dat ik dan toch op één of andere manier één of andere bescherming of begeleiding of zo krijg. Dat is wel de bedoeling”.
[getuige] geeft daarnaast aan: “maar dat ik, zeg maar, dat ik zeg maar aangegeven heb dat ik een volledige verklaring wil afleggen, ja dat klopt wel. Maar dat is natuurlijk wel in overleg gegaan met, uh, hoe noem je dat, daar heb ik natuurlijk met meneer [zaaksofficier] over gesproken (…)”.
Tegen het einde van het verhoor stelt de verbalisant voor dat [getuige] na het eten even met zijn vader kan bellen. [getuige] geeft dan nogmaals aan dat hij met mr. [zaaksofficier] heeft gesproken over de beperkingen en dat mr. [zaaksofficier] had gezegd dat de mediabeperkingen er alvast vanaf konden.

2.1.1 Activeren verklaringsbereidheid
Hierboven is de inhoud van de aard van de contacten tot aan het moment van het politieverhoor op 14 oktober 2015 weergegeven. Het hof concludeert op grond van die inhoud het volgende over de functie die die contacten in het onderzoek Maggiora hebben gehad.
Op 1 oktober 2015 hebben twee gesprekken plaatsgevonden: één met [verbalisant onderzoeksleider] en één met het TCI. Van deze gesprekken is geen proces-verbaal opgemaakt. Op grond van de in hoger beroep aan het dossier toegevoegde mutaties, de woordelijke uitwerking van de verhoren van [getuige] en de verklaring van [getuige] bij de raadsheer-commissaris stelt het hof vast dat toen is gesproken over het gevaar dat [getuige] liep en de voordelen voor [getuige] van meewerken in het onderzoek, oftewel: bescherming en een lagere straf.
Vervolgens is [getuige] op 14 oktober 2015 gelicht om gehoord te worden. Voorafgaand aan dit verhoor werd hij overgebracht naar een verhoorruimte voor een gesprek met de officier van justitie mr. [zaaksofficier] en onderzoeksleider [verbalisant onderzoeksleider] . Bij aanvang van het gesprek werd [getuige] gewezen op de situatie waar hij zich in bevond: [getuige] werd onder meer voorgehouden dat hem in het onderzoek Maggiora een strafeis van minimaal acht jaar boven het hoofd hangt, gelet op de strafbare feiten waar hij bij betrokken lijkt te zijn, dat mr. [zaaksofficier] met zijn raadsman heeft gesproken over dat hij vandaag met [getuige] zou spreken en dat meewerken in het voordeel van [getuige] kan zijn. Mr. [zaaksofficier] heeft het over verschillende trajecten waar mogelijkheden liggen voor [getuige] . Mr. [zaaksofficier] geeft aan dat hij in zijn eis in de strafzaak tegen [getuige] rekening kan houden met een meewerkende houding van een verdachte en dat het Openbaar Ministerie zich verantwoordelijk zal voelen voor de veiligheid van een meewerkende verdachte. In reactie hierop heeft [getuige] aangegeven dat hij wel wil meewerken, maar dat hij dan verwacht dat hij na zijn vrijlating geen problemen krijgt, ook bijvoorbeeld zijn moeder niet, en dat hij hoopt dat hij ook wat eerder vrij zou kunnen komen. In reactie hierop geeft mr. [zaaksofficier] aan dat hij wel wat dingen kan betekenen voor [getuige] , namelijk:
dat zijn kleding goed geregeld wordt;
dat er via de vader van [getuige] geld op zijn rekening komt;
dat hij naar een andere PI zou kunnen;
dat de mediabeperkingen vervallen.
Ook vertelt mr. [zaaksofficier] dat hij voor de overige beperkingen afhankelijk is van het onderzoek en dat het belang van de beperkingen is dat de politie nog op zoek is naar wapens. Ook speelt mee: de mogelijke bergplaats van geld, PGP-toestellen en het aankomende transport.
Hierop geeft [getuige] aan dat hij wel wil meewerken, maar dat hij mee zou willen om kleding te pakken. Mr. [zaaksofficier] wil daar niet gelijk op ingaan, maar sluit het ook niet uit. Tot slot merkt [verbalisant onderzoeksleider] op dat de vragen nu beperkt zijn tot deze zaak en dat ze het later over de andere informatie van [getuige] gaan hebben en dat het heel goed zou kunnen dat [getuige] met die informatie in dat andere traject komt. Het gesprek wordt afgesloten met de toezegging van [verbalisant onderzoeksleider] dat hij gaat doorgeven dat de vader van [getuige] weer gebeld kan worden zodat [getuige] weer wat geld krijgt en dat er ook wel wat valt te regelen voor zijn kleding.
Korte tijd na dit gesprek, naar de inschatting van [getuige] een half uur later, volgt het politieverhoor waarvoor [getuige] gelicht was. Dat dit gesprek zeer kort na het gesprek met [zaaksofficier] en [verbalisant onderzoeksleider] heeft plaatsgevonden, blijkt ook uit de woordelijke uitwerking van het eerste politieverhoor van [getuige] op 15 oktober 2024, waarin [getuige] refereert aan een termijn van een uur.
[getuige] heeft als getuige bij de raadsheer-commissaris verklaard over dit politieverhoor dat hij van tevoren had gedacht ‘ik ga weer naar één van de verhoren met de insteek mijn mond te houden.’ [getuige] heeft ook verklaard dat voor hem de boodschap in het gesprek met mr. [zaaksofficier] helder was. Als hij bereid was te gaan verklaren dan zou het er stukken beter voor hem uitzien en zou er voor zijn veiligheid worden gezorgd. Hij kwam eruit met het gevoel van: ‘Ik ga meewerken want dat gaat mij veel voordelen opleveren.’ De lagere straf zou voor het afleggen van de verklaringen zijn, daarom ging hij verklaren. Er was een vooruitzicht dat de straf lager zou zijn.
Het hof concludeert dat deze perceptie van [getuige] over het gesprek met Mr. [zaaksofficier] en [verbalisant onderzoeksleider] past bij de gebleken inhoud van dit gesprek zoals die hierboven is weergegeven.
Tijdens het politieverhoor op 14 oktober 2015 dat volgde op het gesprek met mr. [zaaksofficier] en [verbalisant onderzoeksleider] legt [getuige] , zonder eerst zijn raadsman te consulteren, belastende verklaringen af over zowel zijn medeverdachten als zichzelf, en geeft hij meteen informatie over de vindplaatsen van wapens, geld en drugs en de manier waarop van de inhoud van de PGP-toestellen kennis genomen zou kunnen worden.
Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat door toezeggingen van het Openbaar Ministerie de verklaringsbereidheid van [getuige] is geactiveerd. Dit is naar het oordeel van het hof – en anders dan door [getuige] verklaard bij de raadsheer-commissaris – niet alleen gebeurd door uitlatingen van [zaaksofficier] over een mogelijk lagere straf bij medewerking van [getuige] (die het hof schaart onder uitleg van de feitelijke situatie van [getuige] ), maar ook door daarbij toezeggingen te doen over onmiddellijke en aanmerkelijke verbetering van de leefomstandigheden van [getuige] , die tot dan toe al geruime tijd gedetineerd zat onder zware beperkingen.
Het hof merkt daarover nog het volgende op. [getuige] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat de opsommingen op pagina 3 van het uitgewerkte gesprek met mr. [zaaksofficier] (het hof begrijpt: de praktische zaken die mr. [zaaksofficier] zou kunnen regelen) voor [getuige] geen reden waren om te gaan verklaren. Hij zei dat het voor hem ook niet meespeelde. [getuige] was, zo gaf hij daarbij nog aan, angstig omdat hij wist wat voor een milieu het is en door het gesprek dat hij had met [verbalisant onderzoeksleider] .
Uit de woordelijke uitwerking van de verklaring van [getuige] tijdens het politieverhoor van 14 oktober 2015 blijkt echter dat [getuige] meermaals verwijst naar het gesprek dat hij met mr. [zaaksofficier] even daarvoor heeft gehad. Hij verklaart over onderwerpen die mr. [zaaksofficier] van belang achtte, waarbij hij bij herhaling in relatie tot de informatie die hij verschafte, ter sprake bracht dat volgens mr. [zaaksofficier] de mediabeperkingen eraf mochten, dat er geen reden zou zijn om de mediabeperkingen te handhaven nu hij over verstopplekken van wapens had verklaard en dat hij graag nieuwe kleding wilde regelen. Het hof leidt uit die gang van zaken af dat [getuige] op dat moment veel belang had bij verbetering van zijn leefomstandigheden in gevangenschap en dat voor [getuige] bij de afweging om te gaan verklaren, toezeggingen aangaande die praktische zaken wel degelijk van belang waren en zijn verklaringsbereidheid hebben beïnvloed.

De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in

Verbonden uitspraken